zaterdag 17 juni 2017

Stills uit een taalcaleidoscoop - Alain Delmotte

Bij de bundel ‘Bokalen’ van Nanne Nauta

Nanne Nauta (1959) staat bekend als flarfdichter. De geschiedenis van flarf in ons taalgebied moet nog geschreven worden. Zelf ben ik van mening dat daarmee even mag worden gewacht: op die manier kan flarf nog wat geschiedenis maken. Maar één feit is nu al duidelijk: dat Nanne Nauta o.m. door eigen werk en zijn uitgeverij ‘crU’ (die zogenaamde ‘axiomatisch poëzie’ uitgeeft en waartoe flarf lijkt te horen) deel zal uitmaken van die geschiedenis.

Maar Nauta is meer dan dat. Hij is ook een dichter die werkt in de oulipo-lijn met bundels als bijvoorbeeld ‘Kruissonnetten’ en ‘Sudaiku’s’. Oulipo  experimenteert met vormen, zoekt naar nieuwe ontwerpen voor vormen. Nauta inspireert zich op en citeert wel eens de grote Raymond Queneau met wie hij dezelfde fascinatie voor het mathematische deelt. In zijn vorige bundel ‘Moralen’ maakte hij gebruik van een door Queneau bedachte oulipo-vorm ‘Morale élémentaire’. Ik kan het niet laten om de titel van deze bundel in de titel van ‘Bokalen’ mee te laten resoneren. Alsof Nauta ze expliciet in elkaars verlengde wil situeren?

Nauta’s bundel is één van die publicaties die je in zijn geheel moet benaderen. Dit wil zeggen in hoe de gedichten zich formeel voordoen, hoe de bundel is gestructureerd and last but not least, hoe de bundel wordt vorm gegeven en/of gevisualiseerd.

Formeel bestaat deze bundel uit gedichten van elk zeven regels. De eerste regel is de langste en geleidelijk aan worden de zinnen korter, wat het ritme in hoge mate bepaald. De zevende regel is dus de kortste en bestaat maar uit enkele woorden. De zinnen zijn grammaticaal gesproken rudimentair en elementair. Ze hebben de toon van een droge vaststelling. In de vormgeving werden de gedichten gecentreerd zodat ze uiterlijk, met wat goede wil, op een driehoek gelijken. Je kunt daarin het bovenstuk van een drinkbeker of een drinkschaaltje in herkennen (vandaar ‘bokaal’). Maar dit bevredigt me niet helemaal, ik kom erop terug. Zeven speelt duidelijk de structurerende hoofdrol binnen het geheel. Er zijn zeven cycli en elke cyclus bestaat uit zeven gedichten. De bundel bestaat dus uit 343 zinnen. Uit vorige bundels weten we dat Nauta graag met getallen speelt zoals ook Queneau en de oulipo-groep zich daarin vergenoegden. Het getal zeven lijkt vele deuren te openen wat mogelijke interpretaties betreft. Die deuren houd ik liever dicht en laat het aan de lezer over welke deuren hij al of niet wil openen. Straks open ik wel even zo’n deurtje op een kier zonder te weten of dit deurtje wel bij deze teksten past.

De manier waarop de bundel is vormgegeven: vooraan - en achteraan doorlopend - een foto van een muur. Wat een omsluitend en omsloten effect teweegbrengt. Dat wordt bevestigd door het typografisch beeld dat na de inleiding volgt: het woord ‘ik’ dat tussen rechthoekige haakjes staat. Binnen de inleiding geeft Nauta overigens aan dat dit zijn meest intieme bundel is. Dat het woord ‘ik’ tussen haakjes staat, heeft zijn weerslag in de bundel zelf: het woord ‘ik’ wordt eruit geweerd. ‘Ik’ is het onderwerp van al die zinnen maar het wordt verzwegen door het 343 keren te schrappen wat de dichter in staat stelt om de bundel niet in een eindeloos ik-gelamenteer te laten vervallen. Achteraan lezen we dat de muur op de voor- en achterflap de muur van de het oude postkantoor van Neude is en dat op basis van de letters die zich op dit postkantoor bevonden een nieuw lettertype (dat je op de voorkaft en in het typografische beeld bemerkt) is ontworpen en dat met zekere ironie de Neudefont wordt genoemd.

Ik weet wat sommigen nu zullen denken: kan je nu eigenlijk eens terzake komen, kan je het eindelijk even hebben over wat er te lezen staat – ga nu toch eens naar wat de kern van de zaak zou moeten zijn.

Welnu, dat is het grote misverstand. Dit is een bundel die tot in details een zo ruim mogelijk interpretatieveld wil creëren. Een (ludiek) speelveld. En dat het uitdenken van het speelveld deel uitmaakt van het poëtische proces: het scheppen van mogelijkheden, percepties, duidingen, zijsporen. Dus niet alleen een kwestie van tekst maar ook hoe de tekst in beeld wordt gebracht. De formele setting: hoe de tekst binnen de vormgeving wordt geregisseerd.

Maar goed, nu toch wel weer naar de tekst. Elke regel is een aparte notitie naar aanleiding van een droom. Dit weet ik dankzij de inleiding. Nauta gaat zelfs verder: sommige notities ontstonden naar aanleiding van een ‘nachtmerrie’. De vraag is of ik zonder die inleiding dat ook zo zou begrepen hebben? In ieder geval lees ik in elk gedicht zeven verschillende, soms laconieke notities die zonder verband lijken met elkaar. Vreemd genoeg, kon ik het niet laten om vruchteloos op zoek naar een mogelijk verband te gaan. Waarmee ik natuurlijk op raadsels uitkwam. En op een soort vervreemding, die eerder komisch dan tragisch uitviel. Daarom vind ik het niet echt noodzakelijk om te weten dat de notities ‘droomverslagen’ inhouden. De soms hilarische nachtmerries van de vervreemding komen toch zo op je af als je de gedichten leest.

De stilistische kracht van deze bundel ligt dan ook in de manier waarop Nauta die zinnen tactisch en meticuleus bij elkaar plaatst: een kwestie van scherp geslepen juxtapositie. Interessant vind ik de dynamiek die daarbij op twee fronten ontstaat.
Dynamiek op het formele vlak. Op zijn weblog noteerde Nauta over ‘Bokalen’ (waaraan hij op dat moment werkte): ‘Ik werk aan een nieuwe bundel die ik achterstevoren schrijf’. Ik trek daaruit de conclusie dat elke tekst ook achterstevoren kan worden gelezen. Dat heeft zijn repercussie op het ritme dat die teksten kenmerkt. Van boven naar onder, van onder naar boven. Al dalend, al klimmend. Inkrimpend, aanzwellend. De tekst blijft dezelfde maar de ritmische dynamiek verschilt. Of Nauta het zo bedoeld heeft? Dat weet ik niet maar hij lijkt me wel ruimte vrij te maken om zo’n lectuur toe te staan. Hij lijkt me een dichter die zijn lezers vertrouwt. Dichters willen de lezer verrassen. Maar evenzeer kunnen zijn lezers hem verrassen.

Dynamiek op het inhoudelijke vlak. De notities die bij elkaar zijn geplaatst ontlokken een spanningsveld dat een bizarre verwarring teweegbrengt. Wat ik daarnet als ‘vervreemding’ omschreef. Je wordt een dwaaltuin van woorden binnen geduwd en vind er maar je weg in terug. De gedichten doen je iets meebeleven. Je weet evenwel niet goed wat en dus onderga je het maar.

Kortom deze gedichten lijken stills uit een taalcaleidoscoop van eerder (geveinsd?) gratuite aard. Natuurlijk duiken binnen de bundel allerlei motieven, aanknopings- en herkenningspunten op. We lezen verschillende verhalen, we vermoeden allerlei sluimerende intratekstualiteit. Maar ik voel me niet geroepen om al die zaken aan elkaar te knopen. Ik vermoed dat ze er zijn en dat volstaat voor mij. Evenmin riskeer ik me aan een amateuristische ‘Traumdeutung’: ik heb geen zin om zo ver in de intimiteit van een dichter door te dringen.

De bundel heb ik een aantal keren herlezen en dan weer doorbladert en ik merk dat ik in deze recensie niet één regel eruit heb geciteerd. Dat maak ik goed door hieronder een gedicht te plaatsen. De reden waarom ik niet citeerde was omdat ik de lezer niet het gras van onder zijn voeten wou maaien. Ik wou mijn lectuur niet opdringen. Ik recenseer zoals ik het boekje graag heb gelezen. Ik laat de lezer van dit zeer verrassend en relatief plezierig werkstuk de vrijheid tot eigen invullingen.

Maar nog iets over de titel. Is de naam ‘Bokaal’ enkel die voor de vorm (zeven op elkaar volgende regels die in lengte steeds kleiner worden en bij visualisatie een ‘beker’ vormen)? Ik vermoed het maar ik vraag me af of ook het inhoudelijke een rol in het opzet speelt: het feit dat de regels ‘droomverslagen’ moeten voorstellen.

In mijn dialect is de eerste betekenis van een bokaal, een weckpot en in de tweede betekenis een klein aquarium, een bolvormige visbokaal. Nooit wordt hiermee een drinkbeker bedoeld.

Het lijkt me plausibel om ‘bokaal’ ook in deze twee betekenissen te hanteren, gezien het omsluitende karakter van het gegeven. En het idee van zeven regels in de vorm van zeven visjes in een bokaal vind ik bevallig.

Maar helemaal tevreden was ik nog niet. Ik ging om advies bij de familie Google en tikte ‘Bokalen zeven’ in en kwam middenin het tarot-kaartspel terecht. Bokalen zeven of bekers zeven wordt op een van die websites als volgt omschreven: ‘Bekers Zeven is een zeer complexe kaart waarvan de betekenissen op allerlei manieren dooreenlopen, zoals dat ook het geval kan zijn bij dromen. Vaak wordt de kaart gezien als een kaart van fantasie en illusie, dromen en verbeelding... (..)Bijvoorbeeld als verbeeldingskracht, visualisatievermogen, dromen, dagdromen enz., maar ook als betovering, verlokking, verleiding, fascinatie, in de ban zijn van iets.

Ik ben van nature uit zeer terre à terre en compleet tegenstander van elke vorm van esoterische en occulte quatsch. Esoterische verklaringen van dichtwerken (zoals dat bijvoorbeeld gebeurde met het gedicht ‘Voyelles’ van Rimbaud) doen de poëzie meer kwaad dan goed. Maar nu moet ik toch wel toegeven dat in dit citaat een aantal ingrediënten te herkennen zijn die ik in Nauta’s tekstwereld terug vond. Ik neem aan dat het toeval is, want in zijn inleiding refereert Nauta aan populair-wetenschappelijke werken in verband met dromen die hij las. Maar poëzie moet het toeval toestaan (zoals ik al vaker schreef). De lezer kan daar al dan niet gebruik van maken – hij kan het laten gebeuren of niet laten gebeuren.

Toch sta ik even bij dat toeval stil: oulipo richt zich op concreet formalistische experimenten. Wat niet belet dat in het werk van Raymond Queneau onderhuids hier en daar esoterische en spirituele referenties te vinden zijn (hij was vertrouwd met de geschriften van René Guénon). Ik weet niet of dergelijke verwijzingen bewust bij Nauta terug zijn te vinden. Ik lees hem (en poëzie) in ieder geval daarvoor niet. Maar ik kon het niet laten dit toch wel gelukkig en vreemd toeval te signaleren.

Met deze overdenking bij een merkwaardige bundel en met onderstaand gedicht eruit dompel ik de lezer graag onder in een bokaal van Nauta’s wonderlijk onirische universum.

6-7

zie de dichter met de bête glimlach een natte krant in de shredder stoppen.
koop in een Grieks plaatsje aubergine, prei, tomaat en aardappelen.
stap gelijk met een halve schoolkas in de bus naar het station.
help al schietend mee de stad te bevrijden.
krijg vijftig euro van een Indisch iemand.
krijg een waarschuwing van een dichter.
heb nog drie maanden te leven.


© Alain Delmotte

Bokalen, Nanne Nauta, uitgevrij crU, Utrecht, 2017, ISNB 97-90-79993-15-4; 15 euro.


maandag 12 juni 2017

"Wat het voorstelt" van Achilles M. Surinx

Achilles M. Surinx





































Komende zaterdag 17 juni 2017 presenteert dichter Achilles M. Surinx samen met uitgeverij Aleph Press om 15u30 in het Kortrijkse boekenhuis Theoria met veel genoegen zijn bundel "Wat het voorstelt". De bundel krijgt als ondertitel "Gedichten 1989-2017" mee en is dan ook een mooie bloemlezing uit het verzameld werk van deze minzame en bescheiden Kortrijkse dichter.

Achilles M. Surinx (°1941, Godsheide- Hasselt) groeide op als zoon van een mijnwerker in Winterslag maar mag zich al sinds verschillende decennia een waarachtige Kortrijkzaan noemen. Hij gaf er zowat zijn hele beroepsloopbaan les in het basis- en buitengewoon onderwijs. Behalve een aantal dichtbundels publiceerde Surinx ook essays over ondermeer Theodoor Stevens, Sylvia Plath en Georges Simenon

De plaats van afspraak: Boekenhuis Theoria, Casinoplein 10, 8500 Kortrijk

Uitgever Marc Desmet verwelkomt en toneelauteur Stefan Vancraeynest interviewt de dichter en draagt ook gedichten voor. Er zijn voorts muzikale intermezzi van Herman Streulens. Een receptie sluit de voorstelling af.
Er wordt gevraagd om jouw aanwezigheid vooraf te bevestigen via een mailtje aan Aleph Press. 

Meer info:
aleph.press@scarlet.be
achilles.surinx@skynet.be
Boekenhuis Theoria


Wat het voorstelt, Gedichten 1989-2017, Achilles M. Surinx, Uitgeverij Aleph Press, 2017, 17,99 €

 


Uitnodiging "Wat het voorstelt"





































vrijdag 9 juni 2017

Brief uit Normandië - Frans Deschoemaeker

(aan Hendrik Carette)

Crépon, zaterdag 18 juli 2009

Cher Henri,

Ik schrijf je deze brief vanuit de blauwe kamer van onze suite in de Manoir de Crépon. Wij zijn hier deze namiddag aangekomen na een voorspoedige reis vanuit Bourgtheroulde, een oordschap ten zuidwesten van Rouen, waar we een aantal dagen de gasten waren van Madame du Plouy op het Château de Boscherville.

Niet met de diligence zijn wij hier aangekomen, maar met onze kleine en zilverkleurige automobiel, die ons in deze dagen over de Normandische wegen voert. Ach, ik vind het best leuk zo; aan een rustig tempo, met vrouw, hond en boek over Frankrijks wegen struinen, een beetje doelloos, van Honfleur naar Barfleur, van Lisieux naar Bayeux, door het appelgroene land van Flaubert, Proust, Maupassant, Barbey d’Aurevilly.

Logeren in een kasteeltje uit de achttiende eeuw, waar de zoon des huizes, die zichzelf peintre-artiste noemt, het hele jaar door zijn werken in een salon van het kasteel exposeert (het wordt donker en gotisch, de honden bassen, de eeuwenoude bomen van de zeer lange oprijlaan ruischen onder een opkomend onweer, wanneer hij ons rondleidt en uitvoerig commentaar geeft bij zijn onhandige doeken).

Of logeren in een manoir, eveneens daterend uit de achttiende eeuw, waar de patronne, tevens brocanteuse en burgemeester van het tweehonderd zielen tellende Crépon, op zondagmorgen haar drie kleinzonen appelconfituur leert maken (en geen Calvados!). Er zit een soort vanzelfsprekende eenvoud in het bestaan, die wij nog slechts bij momenten verwonderd kunnen of willen constateren.

Op meer gesofistikeerde wijze genieten wij echter ook intens van een zekere Normandische tristesse: een afbladderend badplaatsje als Arromanches, zielig verkoolde worstjes van de barbecue op een rommelmarkt onder breed zeilende wolkenformaties en steeds dreigende buien in de buurt van Ste-Honorine-des-Pertes, of de kade van Isigny-sur-Mer, met de roestige vissersboten diep onder ons in de smalle geul, bij eb, het is nog bijlange Bretagne niet.

Te Giverny, langs de grillig tussen kalkrotsen meanderende Seine, ligt het domein van Monet, waar hele busladingen academiestudenten gedropt worden om er de waterlelies op de vijver na te schilderen. Hier mag ook aan Proust gedacht worden. Ik raakte bijzonder gecharmeerd door het heldere, snelstromende beekje dat het domein omspoelt (en waarschijnlijk de vijvers voedt). Er loopt een pad langs de lage oever, dat je onder bomen een tijdlang kunt volgen. Dat beekje, met zijn op de stroming mee wiegende wieren en onderwaterplanten, met zijn vlekken dansend zonlicht en libellen, deed mij op de een of andere manier denken aan dat riviertje dat door de eerste delen van A la recherche du temps perdu meandert; de Vivonne. En even verliezen we ons, man, vrouw, hond en boek, op dat pad, dat de kant van Guermantes opgaat.

De Vivonne van Combray (of de Loir van Illiers zo je wilt) is in werkelijkheid breder, eerder een riviertje dan een beek, maar op de een of andere manier valt de Vivonne die ik via de lectuur van Proust in mijn hoofd heb, volmaakt samen met dit beekje te Giverny: Mais plus loin le courant se ralentit, il traverse une propriété dont l’accès était ouvert au public par celui à qui elle appartenait et qui s’y était complu à des travaux d’horticulture aquatique, faisant fleurir, dans les petits étangs que forme la Vivonne, de veritables jardins de nymphéas. Comme les rives étaient à cet endroit très boisées, les grandes ombres des arbres donnaient à l’eau un fond qui était habituellement d’un vert sombre mais que parfois, quand nous rentrions par certains soirs rassérénés d’après-midi orageux, j’ai vu d’un bleu clair et cru, tirant sur le violet, d’apparence cloisonnée et de goût japonais (Marcel Proust, A la recherche du temps perdu/Combray).

De beek als idee. De emblematische, mythische beek! Nu eens in de gedaante van Prousts Vivonne, dan weer in die van Claude Monets impressionistische onderwaterwereld of in die van mijn op heden sterk vervuilde Vlietebeek (Bavikhove, jaren zestig van de vorige eeuw, de jacht op vlinders en stekelbaarzen, geheime spelletjes, knapenjaren, onrust). Que voulez-vous, mon cher, je suis et je resterai toujours un Proustien et un Proustomane!

Waaruit kan worden besloten dat uiteindelijk Marcel Proust als mijn geheime gids zal gefungeerd hebben tijdens deze Normandische trip, zoals Jan Morris dat voor jullie zal zijn in Triëst. Zelf ben ik nooit in Triëst geweest, maar ik heb het wazige silhouet van de stad gezien vanuit het Sloveense Koper (of Capodistria – Caput Istriae, het hoofd van het aloude schiereiland Istrië) en ik herinner me nog goed de onwezenlijke rust van het water van de baai van Triëst waarop de vrachtschepen voor anker lagen als op een matglanzende glazen plaat.

Naast Morris kan ik je nog twee kortere teksten over Triëst aanbevelen, die mij hier en nu spontaan te binnen schieten: Triëst: eenzaam in het midden van Stefan Hertmans (uit Steden) en Een roker uit Triëst/Het vogeltje en de kooi van Luc Devoldere (uit Grand Hotel Italia).

Wat je nieuwe bundel betreft, je drijft de spanning op, mon cher! Wanneer ik als een van de eersten een kopie zal ontvangen, zal ik zeer vereerd zijn (verguld, zegt de Hollander). Ik beloof je dan ook mijn spontaan opwellende en meer bezonken leeservaringen in een brief vast te leggen. Zover zijn we nog niet. Nu wens ik jullie beiden, jij en Bea, ook vanwege Myriam en Pistache (die tijdens deze reis merkwaardig volwassen geworden is en met haar voorpootjes krabbend op het papier ijverig aan deze brief probeert mee te schrijven) buon viaggio!


Cordialement, ton


François de Crépon


© Frans Deschoemaeker

Uit: De waterlelies van Montparnasse, een werk in gestadige voortgang.

donderdag 8 juni 2017

arbeit macht frei - Gerard Scharn

wilt u dit voor mij spellen?

bitte buchstabieren sie!

auschwitz
ravensbrück
bergen-belsen
ebensee
ig-farben
theresienstadt


mittelbau-dora
auschwitz
chełmno
theresienstadt

flossenbürg
ravensbrück
ebensee
ig-farben


© Gerard Scharn


woensdag 7 juni 2017

wereldreiziger - Gerard Scharn

de wereld is ontdekt en in kaart gebracht
al zijn de grenzen wel flexibel een koninkrijk
vervangt een dictatuur of andersom

eilanden blijven op hun plaats al is dat niet
altijd zeker als het zeeniveau blijft stijgen
of een vulkaan de kriebels krijgt

kannibalen worden omgeschoold en dansen
voor toeristen geld noch moeite wordt bespaard
laten de gidsen u gedreven weten

slavenhalers werden touroperators

blijf thuis met atlas en dienstregeling
droom van verre landen aai uw kat en hond
bekijk de vreemdelingen in uw straat


© Gerard Scharn


dinsdag 6 juni 2017

koester de goede dingen van huis uit meegekregen - Gerard Scharn

kijk uit voor vrouwen op hoge hakken
vooral op kermissen bij poffertjeskraam
en danslokaal

pas op voor mannen met messen en rode
zakdoeken bandplooibroeken en een
frans accent

dans geen tango met een hoerenwaardin
respecteer prinsemarij en soldatenvolk
spreek een koning met twee woorden aan

vandaar dat ik mijn remmingen koester
tot in het absurde en geen bordeel durf
binnengaan



© Gerard Scharn


maandag 5 juni 2017

de angst voor de bibliothecaresse - Gerard Scharn

een vrouw zo mooi en welbelezen
gezegend met de liefde voor het boek
wil ik van kaft tot kaft

zij heet tamarinde een naam als frisdrank
op een tropendag waar de jager en gejaagde
vrede sluiten voor de avond is gevallen

ik volg haar tussen woordenboeken en het
verzameld werk van een jong gestorvene
door noodlottig ongeval of eigen hand

ik steek briefjes met een telefoonnummer en
lieve woorden tussen almanak en elsschot
verleng van jaar tot jaar mijn abonnement


© Gerard Scharn


zondag 28 mei 2017

Albert Hagenaars over Warhoofds Gekkenwerk

Alain Delmotte heeft niettegenstaande zijn humor, variërend van lichte spot tot absurdisme, niet bepaald een vrolijke bundel samengesteld. De wereld om ons heen is dan ook niet bepaald een Cocagne. Net als andere kunstdisciplines is het de poëzie evenwel gegeven om met een dergelijk uitgangspunt een domein te creëren waarin de lezer of luisteraar de positieve sensatie van het ontdekken kan ondergaan, tal van Aha-erlebnissen omzetten, in zichzelf een Keaton of Rosset of, met evenveel geldigheid, een Delmotte ontwaren.

Albert Hagenaars in zijn "Verborgen Hoek" (die altijd veel meer dan een omweg waard is) over 'Warhoofds Gekkenwerk' de recente bundel van Digther-redacteur Alain Delmotte.
De bundel werd eind februari voorgesteld in Harelbeke en eerder verschenen intussen al recensies van Dirk De Geest, Hans Puper en Erick Kila op de sites van MappaLibri, MeanderMagazine en De boekhouding.

Extern:
Een ode aan het poëtisch vernuft-Albert Hagenaars over Warhoofds Gekkenwerk
Thuissite Albert Hagenaars

woensdag 17 mei 2017

Al die tijd hield de berg zijn adem in - Voorstelling

Eind oktober van verleden jaar publiceerden we bij 'de Schaal van Digther'
een uittreksel uit de roman "Al die tijd hield de berg zijn adem in" van Francis Cromphout. De roman is ondertussen verschenen bij Beefcake publishing en wordt komende vrijdag 19/5/2017 om 20:00 u. officieel voorgesteld in het Cultuurcafé van Ledeberg, Ledebergplein 30.

Het programma:
Inleiding: Lucas Tavernier.
Wereldmuziek met
Paola Marquez,
Francis Cromphout,
Roman Kim,
Jasper De Kind en
Sara Galle

De toegang is gratis, maar graag vooraf een seintje:
mattheeuws.caroline@gmail.com of 0497/ 68 98 03

Al die tijd hield de berg zijn adem in is een uitgave van Beefcake Publishing en werd mee mogelijk gemaakt op basis van crowdfunding. Alejandra Anfossi stond in voor het mooie coverontwerp. Het boek kost 25€ en is verkrijgbaar via de boekhandel, de uitgeverij en de auteur .

zondag 7 mei 2017

Verklärte Nacht - Frans Deschoemaeker

In deze heldere vriesnacht moet ik denken aan de ontelbare woorden van de ontelbare gedichten in de hoge donkere zalen, kelders, depots en oubliëtten van de grote bibliotheken.

Verzonken in papier, velijn of perkament, verzonken in hun rijmen, hun duisternis, hun metaforen, lang niet meer gelezen of voor immer ongelezen, slapen zij.

In deze heldere vriesnacht door bewustzijn aangeraakt, gaan de oude gedichten in de oude, koude bibliotheken vorsthelder knisperen, zoals gras en kreupelhout knisperen onder rijp in de witte bermen van de autostrada’s van de grote landen in de nacht.

En wat betekent voor jou, verre vriend, (even niet denkend aan Schönberg, Delvaux, Piero della Francesca), het begrip Verklärte Nacht?



© Frans Deschoemaeker

Uit: De waterlelies van Montparnasse, een werk in gestadige voortgang.

zaterdag 6 mei 2017

Psalm 22,11 - Albert Hagenaars

Op u ben ik geworpen van de baarmoeder af

Psalm 22,11


Mijn moeder sloeg de vroedvrouw
weg en kreunde als een jonge ram
met zijwaarts getrokken kop.

Dan braken de vliezen. Haar beurse liezen
persten de vrucht van hoop door lippen
en klittend haar tot in het rode licht.

Ruw waren de hennep doeken, hard
en koud de handen die ons los
sneden, mij langdurig droog wreven

en aan haar lange speen legden. Ik beet
me vast in dit zwellend vlees, zoog
meer liefde dan zij kon geven en leerde

dat ik in Uw naam een andere dorst
moest lessen; aller vrees bezweren,
aller verlangen naar verlossing bezegelen.


Albert Hagenaars



Noot:
Vorig jaar nodigde pastor/dichter Rob van Uden, zijn vriend Albert Hagenaars uit om samen met hem, maar gescheiden van tafel en pc, een variatie op ‘Psalm 22’ te maken. Het vers mocht Hagenaars zelf kiezen. De Schaal van Digther publiceert de dichterlijke consequentie van twee verzen: Vers 9 met een gedicht van Rob van Uden en Vers 11 met een uitweiding van Albert Hagenaars.

vrijdag 5 mei 2017

Psalm 22,9 - Rob van Uden

Laat de ene zorgen


Psalm 22,9

Dat ik hoest en roestig
hijgen eerbiedig, ‘t haperend
happen naar de adem
die u hebt ingeblazen;

't geboeid aanvaarden
dat u mond op mond mij
woorden van leven
op de lippen legt;

’t lef van voeten in de beugels
wanneer ik geen teugel
in handen, of uitkomst
voor ogen heb;

omdat u het tobben
en twijfelen dat ik zo nodig
meen te hebben, van mij
afwentelt, overneemt.


© Rob van Uden



Noot:
Vorig jaar nodigde pastor/dichter Rob van Uden, zijn vriend Albert Hagenaars uit om samen met hem, maar gescheiden van tafel en pc, een variatie op ‘Psalm 22’ te maken. Het vers mocht Hagenaars zelf kiezen. De Schaal van Digther publiceert de dichterlijke consequentie van twee verzen: Vers 9 met een gedicht van Rob van Uden en Vers 11 met een uitweiding van Albert Hagenaars.


Psalm 22 - Rob van Uden - Albert Hagenaars

Vorig jaar nodigde pastor/dichter Rob van Uden, zijn vriend Albert Hagenaars uit om samen met hem, maar gescheiden van tafel en pc, een variatie op ‘Psalm 22’ te maken. Het vers mocht Hagenaars zelf kiezen. De Schaal van Digther publiceert vandaag en morgen de dichterlijke consequentie van twee verzen: Vers 9 met een gedicht van Rob van Uden en Vers 11 met een uitweiding van Albert Hagenaars.

Laat de ene zorgen – Rob van Uden
Op u ben ik geworpen van de baarmoeder af – Albert Hagenaars


Rob van Uden
Albert Hagenaars
© Foto:
Vera Seppion

vrijdag 21 april 2017

Hoe een scherpe geest alles aanzwengelt - Hendrik Carette

De blauwe Donau

De Donau ontspringt in het Zwarte Woud
en mondt uit in een delta aan de Zwarte Zee.


Solo in Londen

Toen ik er was, was mijn lief er helaas niet.
Zo was ik weer eenzaam in de wijk Soho.


De kwadratuur van de cirkel

Broodthaers, Duchamp, Mariën en Van Maele;
vier kunstenaars met een mooi Marcelleke.


De oorlog in Afghanistan

Door de aanwezigheid van al die Amerikanen in Afghanistan
zijn daar haast geen Afghaanse windhonden meer te vinden.


In de stad Wenen

Het tragische trio bestaande uit Klimt, Kraus en Wittgenstein
walste daar koninklijk en keizerlijk in deze walsende stad.


Brugse humor

Toen mijn vader jong was en in de Steenstraat flaneerde
droeg hij geen hoed; ik doe het nu wel en zo is het goed.


Amélie Nothomb, een schrijfster voor alle Belgen

Eerst was zij al een bleke sombere jonkvrouw
en nu werd zij ook nog een schrijvende barones.


Literaire roddel voor gevorderden

Maarten ’t Hart heeft geen hart voor Connie Palmen.
Maar Connie Palmen ook zeker niet voor deze Maarten.


Stalin en Hitler

De eerste spaarde niemand. Ook zijn eigen zoon Jakov niet.
De tweede spaarde wel Ernst Jünger, maar niet Ernst Niekisch.


De hoog en luid spuitende walvis

De witte walvis en de blauwe vinvis keerden ooit terug van het vasteland
om sinds eeuwen en eeuwen ginds in de wateren te zwemmen en te drijven.


Het geheim van het Zeeuwse licht

Op Walcheren ter hoogte van Domburg boven een hoge zee
zag ik na Jan Toorop en Piet Mondriaan het Zeeuwse licht.


In de jaren zestig van de vorige eeuw

Het gras was toen overal nog blauw. O, en Portland lag in Oregon.
Hier zong toen de wonderman Deroll Adams en speelde op zijn banjo.


Celan en Cioran

Beiden konden op tijd vluchten; de donkere dichter
uit de Boekovina. De scherpe denker uit de Balkan.


Mijn ontologie

Als grootgrondbezitter werd ik onteigend.
Als dichter werd ik het zwijgen opgelegd.


Nescio

Hij wist het wel: een hond moet janken in de nacht.
En een lange spooktrein is zeker geen pleziertrein.


Marja Pruis

Ze heeft mooi krulhaar en een melancholische glimlach.
God verhoede dat zij op een kwaadwillende man valt.


Existentiële vraag

Moet ik mij tot de middeleeuwse rabbijn Maimonides wenden?
Of tot de mystieke Meester Eckhart? Of blijf ik bij George Steiner?


Oostende en Brugge

Het verschil tussen deze twee steden moge duidelijk zijn:
de badstad is de witte stad, de zwanenstad is de zwarte.


Multatuliaans idee

Bijna niemand schijnt het te weten, zelf weet ik het ook niet.
Maar de weinigen die het wel weten, zijn het samen zeer eens.



© Hendrik Carette


vrijdag 14 april 2017

De Ezelbrief - Philippe Cailliau

Aan Frank Pollet, naar aanleiding van zijn jeugdroman "Want een ezel is een voorbeeldig mens" uit 2014

21 februari 2017, des avonds

Goede Frank

Als een mens veel leest, komt hij wel eens een (tekst)fragment tegen dat hem behoorlijk verbaast, dat hem zelfs lichtjes doet verschieten, dat hem een aha-moment bezorgt. Kortom: dat zijn hart één slag doet overslaan. Het eerste wat hij dan doet, is die pagina, die alinea of die idee of zin van de schrijver in kwestie opnieuw lezen terwijl hij zich afvraagt of hij wel goed gelezen heeft, waar de herkenning van dat fragment vandaan komt. Want toeval in de literatuur - bestaat toeval in de literatuur? Als aandachtige lezer denkt hij: dit is waarachtig te mooi, er moet een literaire god bestaan.

Ik verklaar me nader, Frank, want je bent je vermoedelijk aan het afvragen wat er met mij aan de hand is. Neen, ik heb niet gedronken, je weet dat mijn dronkenschappen al tientallen jaren verleden tijd zijn. Neen, ik hallucineer noch bazel onzin. Ik stel gewoon vast dat de literaire boekenwereld klein is, ook de wereld van de wereldliteratuur, dat literaire ideeën en beelden niet zo uniek zijn als de gebruiker van die beelden wel zou wensen. Het is een kwestie van het juiste boek in handen te hebben.

Het voorbije jaar heb ik me een hele reeks autobiografische geschriften aangeschaft die uitgegeven zijn door De Arbeiderspers, in de unieke serie Privé-domein. Veel van die boeken zijn niet meer te koop en je moet je al in het tweedehandscircuit begeven om de ontbrekende delen te vinden en aan te kopen, de ene titel voor een prikje, de andere aan wel het dubbele van de oorspronkelijke prijs: de verkoper of de antiquair weet in dat geval wat hij aanbiedt en wat dat mag kosten. Maar de zoektochten hebben mijn inspanningen beloond: ik heb me een aantal delen kunnen aanschaffen die ik voor geen geld nog uit handen wil geven. Het is met mij altijd hetzelfde probleem: als de boeken uitkomen, heb ik er geen belangstelling voor, en als ze dan uitverkocht zijn, als de uitgever geen heil meer ziet in een zoveelste herdruk, dan besef ik ineens wat ik aan het missen ben en wil ik dat bepaalde boek te allen prijze in mijn geestelijke en papieren bibliotheek hebben. De wereld op zijn kop. Dat heb je met veellezers die meer willen kunnen lezen dan de tijd die hun op de aarde is gegund, hen schenkt.

Gisterenavond was ik aan het lezen in het Privé-domeindeel Portretten van Maksim Gorki (pseudoniem voor Aleksej Maksimovitjs Pesjkóv). Portretten werd vertaald door C.J. Pouw. Dit ter informatie. In dat boek verzamelt Gorki diverse losse aantekeningen over zijn ontmoetingen met grote namen uit de Russische literatuur. Elke verzameling wordt dan een portret. Het eerste is gewijd aan Anton Pavlovitsj Tsjechov. Het is een portret dat van tederheid en vooral van respect voor Tsjechov als mens en verhalenschrijver getuigt. Het tweede betreft Lev Nikolajevitsj Tolstoj. Gisteren las ik de aantekening nummer 21 van Gorki over Lev Tolstoj. De meester zélf (Tolstoj, dus) heeft het in dat stuk over het bij tijd en wijle vreemde taalgebruik van zijn gewaardeerde collega Fjodor Michailovitsj Dostojevski. Gorki citeert (pp. 43-44) wat Tolstoj nogal neerbuigend daarover zegt: “Hij schreef afschuwelijk en zelfs met opzet lelijk; ik ben ervan overtuigd, dat hij dat expres deed, uit een soort koketterie. Hij wilde de aandacht trekken. In De idioot zegt hij ergens: “Met een onbeschaamde opdringerigheid en teneinde te affichiëren dat zij elkaar reeds kenden.” Volgens mij heeft hij het woord “afficheren” met opzet verminkt, omdat het een vreemd, uit het Westen afkomstig woord is (…). Maar er zijn bij hem ook onvergeeflijke blunders aan te wijzen: de “idioot” zegt: “De ezel is een goed en nuttig mens”, maar niemand die er lacht, ofschoon deze woorden beslist gelach of de een of andere opmerking aan de toehoorders moeten ontlokken. Hij zegt dit in het bijzijn van de drie zusters en die namen hem maar wat graag op de korrel. Aglája vooral.”

Ik was aangenaam verbaasd toen ik deze passage las, Frank. De reden daarvan ken je zeker en vast. Omdat ik het adagio ‘check – double check’ huldig, ben ik dadelijk op zoek gegaan naar de aangehaalde passage in De idioot van Dostojevski. Ik heb die roman in een oude editie in mijn piepjonge studentenjaren nog ooit gelezen, maar ik herinner me er alleen de grote lijnen van, niet de details en opvallende uitspraken. De idioot is door Van Oorschot uitgegeven in de Russische Bibliotheek, in dundruk, wat ook kleine karakters impliceert en veel tekst op een pagina - je kent die dure delen van het literaire en biografische oeuvre van diverse Russische schrijvers wel. Die dundrukreeks behandel ik met liefde en met de grootste eerbied. De idioot, in een recente vertaling van Arthur Langeveld, verscheen in 2013 als nummer 6 van Dostojevski’s Verzamelde werken. De idioot is een roman van 663 dichtbedrukte bladzijden en verscheen voor het eerst in hoofdstukken in een Russisch tijdschrift in 1868, met name in De Russische bode.

Het is niet vanzelfsprekend een ezelpassage terug te vinden in een dikke, goed gevulde dundruk. Ik begon van achter naar voor en kwam tot: niets. Geen vruchtbare zoekmethode, dus. Een mens moet het geluk een beetje aan zijn kant hebben. Maar de ezel wilde niet opduiken, bijna 700 pagina’s lang. Dan maar de omgekeerde zoekrichting geprobeerd, geduldig en pagina na pagina diagonaal lezen, … . Op de bladzijden 64 en 65 had ik al prijs!

Op bladzijde 64 is vorst Mysjkin, de idioot van de titel, aan het woord. Hij vertelt de generaalsvrouw (maman, die samen met haar drie dochters naar hem luistert) het volgende: “Iets van binnen wilde me dood hebben. Uit deze duisternis ontwaakte ik pas de avond in Bazel, bij mijn aankomst in Zwitserland, toen ik wakker werd door het gebalk van een ezel op het marktplein. De ezel maakte diepe indruk op me en viel om de een of andere reden erg bij me in de smaak (…).” Wat verder (bladzijde 65) vervolgt hij: “Sindsdien houd ik ontzettend veel van ezels. Dat zijn zulke sympathieke dieren. (…) ik ben meteen tot de ontdekking gekomen dat het een uiterst nuttig lastdier is, sterk, geduldig, goedkoop taai (…).”

De generaalsvrouw probeert het gesprek een andere wending te geven, maar vorst (prins) Mysjkin komt terug op zijn ezelervaring. “Ik blijf bij mijn ezel”, zegt hij, “ een ezel is een goed en nuttig mens”. De generaalsvrouw stelt dan de vraag: “En bent u ook een goed mens, vorst?”

Tot zo ver de studie bij Gorki, Tolstoj en Dostojevski van de tekstfragmenten met de ezel als een positief mens. Voor de volledigheid moet ik (in Gorki’s Portret) Tolstoj corrigeren wanneer hij beweert dat niemand tijdens de ezelconversatie lacht: in de passage in De idioot wordt er tijdens het gesprek met vorst Mysjkin door de vier vrouwen wél gelachen.

Je merkt het, Frank, bij Gorki, Tolstoj en Dostojevski lezen we geen kwaad woord over de ezel. Ik weet dat jij zielsveel van ezels houdt, dat bij je thuis twee schattige ezels wonen, de broers Victor en Henri, die zo goed als volwaardige leden van je huishouden en je gezin zijn, net als je rashennetjes en andere schattige knabbelaars.

Ik heb een hele omweg afgelegd om tot de kern van deze brief te komen.

De ezels, dus. Ezels zijn voorbeeldige mensen. Ezels zijn goede en nuttige mensen. Wanneer je breed interpreteert, kun je stellen: als de mens wat meer goede eigenschappen van de ezel zou overnemen, dan zou hij een goed en nuttig mens zijn. Want ezels zijn nuttig en hebben een goed karakter. Maak er desgewenst een metafoor van: ezels zijn als goede, als nuttige, als voorbeeldige mensen.
In 2014 verscheen van jou het schitterende jongens-en-meisjesboek Want een ezel is een voorbeeldig mens. Een fijn boek, waarvoor je heel terecht schitterende recensies en lauwerkransen hebt mogen ontvangen (de Inclusieve Griffel 2015 en de Eerste Prijs van de Kinder- en Jeugdjury Vlaanderen 2016). De in het oog springende titel van het boek zal zeker – en heel terecht – wat bijgedragen hebben tot de goede perceptie van het bekroonde boek. Het is ook een knappe titel, die je niet gauw vergeet. In een extra berichtje achteraan het boek, op bladzijde 254, schrijf je dankbaar: “Dank aan de dichter en ezelman Theun de Winter die de titel van dit boek heeft bedacht.”

Die dankbetuiging wakkert mijn nieuwgierigheid aan. Daarom stel ik me de volgende vraag, Frank, het gaat tenslotte om een literaire wetenswaardigheid. Heeft dichter en “ezelman” Theun de Winter jou die titel aan de hand gedaan zonder dat hij zelf ervan op de hoogte was dat Dostojevski in De idioot via het personage vorst Mysjkin de ezel kwalificaties gaf die erg gelijken op de kwalificatie van de ezel in jouw boektitel? Dat zou kunnen. Ik kom terug op mijn inleidende woorden: bestaat literair toeval? De kwalificaties goed en nuttig, en voorbeeldig liggen heel dicht bij elkaar, toch? Het woord “want” maakt het verschil niet.

Ik las onlangs een essay van Tsvetan Todorov over geheugen en herinnering. Aan die twee begrippen moet ik nu denken. Ik ga ervan uit dat Theun de Winter in zijn jeugdjaren De idioot van Dostojevski gelezen heeft, maar de bijzonderheden, de dialogen en beelden al heel lang vergeten is. In zijn onderbewuste is de ezel-mensmetafoor wellicht altijd blijven hangen. In de mist en sluiers der tijden, in de moerassen van de jaren, zeg maar. En toen jullie het over jouw ezelroman hadden, zal het beeld uit de duisternis tevoorschijn gekomen zijn, welwiswaar in licht gewijzigde vorm, maar toch nog dicht genoeg bij Dostojevski’s metafoor. Het is een plausibele verklaring.

Hopelijk vind je het een verrijking dat de oorsprong van je boektitel aan de oppervlakte is gekomen en dat je boek in tweede instantie een hommage is geworden aan een bijzonder illustere literaire voorvader. Ik lees je titel als het resultaat van een gelukkige opgraving uit de diepe lagen van het onderbewuste, dat meer van een boek onthoudt dan het bewuste van een wakkere lezer. Jaren en jaren na elkaar eroderen beelden en metaforen van een leeservaring, maar de kern ervan vindt blijkbaar altijd wel de weg naar buiten. Het is als beelden uit een droom: ze zijn er, maar waar komen ze vandaan?

En jij, Frank? Je kunt, net als wij allemaal, niet alles gelezen hebben. Gorki, Tolstoj en Dostojevski liggen nu niet bepaald op iedereen zijn nachtkast.

Hugo Claus haalde voor zijn werken zowat overal zijn mosterd vandaan, en niemand heeft hem dat ooit kwalijk genomen. Integendeel, zijn reminiscentietechniek dwong bewondering af, er werden thesissen en boeken over geschreven. Jouw titel mag dus net zo goed een interessante literaire ontstaansgeschiedenis hebben.

Misschien hebben we iets aan deze brief. Belangrijk is, dat de oorsprong van de titel van je boek ook vanuit een andere hoek belicht wordt.

Schrijf nog veel mooie jeugdboeken, Frank, en groet Henri en Victor van me. Ze zijn fantastische jongens!

Ik hels je om – als steeds.

Philippe
Oostende, IJzerstraat 22


© Philippe Cailliau


zaterdag 8 april 2017

Sprezzatura! - Frans Deschoemaeker

Kerktrappen in Italië. Ze nodigen uit tot verpozing, bespiegeling, observatie van mensen. Wanneer ik weer eens uitblaas op de trappen van een duomo of een collegiata krijg ik het gevoel dat ik toeschouwer word in een theater, meer nog, dat ik zelf deel uitmaak van de enscenering en dat ik op mijn beurt door iemand zal worden geobserveerd.

Italianen hebben het grote voorrecht zich haast voortdurend te mogen voortbewegen in een publieke ruimte die door beeldhouwers, architecten, schilders, musici, dichters, theatraal werd georganiseerd. De theatrale ruimte lokt geoliede lichaamstaal uit, zelfbewustzijn, bestudeerde maar vanzelfsprekend lijkende elegantie. Of het nu op het gladde plaveisel van Milanese winkelarcades is, op die onmogelijke kinderkopjes van Mantua of op de trappen van Siena; Italianen bewegen zich van nature als op een catwalk.

Je hoort vaak dat de mannen oppervlakkig zijn: alleen donne, macchine, calcio (vrouwen, auto's, voetbal - niet noodzakelijk in deze volgorde) maken het bestaan de moeite waard. Misschien zijn het niet toevallig drie dingen die met sierlijkheid en gratie kunnen worden geassocieerd. Misschien zijn wij, noorderlingen, inderdaad te zwaar op de hand en kan deze oppervlakkigheid ook vertaald worden als nonchalance, zwier en levenskunst, het vermogen tot genieten, als een gelukkig gevolg van eeuwenlange welstand, humanisme en driehonderd dagen zon per jaar.

In Italië versterkt de etiquette het plezier in het leven, en omgekeerd. Het was in 1528 dat Baldassare Castiglione Il libro del cortegiano (Het boek van de hoveling) schreef, over decorum en goede omgangsvormen. Weinig Italianen hebben dat boek gelezen, daar verwed ik mijn hoed om, maar de principes die erin uiteengezet worden, lijken hen wel, samen met heel die dekselse Renaissance overigens, onderhands in de genen gekropen te zijn.

Samarkand, Angkor Vat in het smaragdgroene Cambodja en het hiphoppende New York hoeven voor mij niet écht, zolang ik maar naar die opwindende cocktail kan van cipressen en marmer, abrikooskleurig stucco, zijden kousen met zwarte naad, espresso, maatpakken en knetterende vespas. Ik benijd die goedgeklede ambtenaren die 's morgens, vóór zij naar kantoor gaan, nog alle tijd van de wereld lijken te hebben om bij een ristretto hun krant in te kijken aan een zonovergoten bar, en ik beschouw die gewoonte als een doorslaggevend bewijs van beschaving.

In de voetsporen van Norman Douglas en Geerten Meijsing met camera en schetsboek door het oude Calabria lopen en in ruïneuze kerkjes vergeten fresco’s inventariseren, is al heel lang een jongensachtige droom van mij. Ik moet mij nu echt wel gaan haasten…



© Frans Deschoemaeker

Uit: De waterlelies van Montparnasse, een werk in gestadige voortgang.