woensdag 29 maart 2017

Vier brieven aan mijn zoon (02) - Joris Denoo

02


Voortdurend word je weer opgeroepen.
De middelen zijn beperkt, de overmacht groot.
Kuilen, kussens: daar draait het om.
En een ransel vol roze en blauw.

Er is een thuisfront met vrijgeleide,
binnen de perken van het marsbevel.
Je krijgt een arm, wees gerust.
We juichen bij een stelling weer ingenomen.

Deinzen en afzien is ook een tactiek.
Hoe ouder die oorlog wordt,
hoe kouder we hem in de ogen kijken.
Want jong is blind en luistert nauw.


© Joris Denoo


Bovenstaand gedicht maakt deel uit van de cyclus “Vier brieven aan mijn zoon” van Joris Denoo die hier op ‘de Schaal van Digther’ gedurende vier dagen wordt gepubliceerd. De cyclus wordt in het najaar van 2017 opgenomen in "Zwaartekracht", een langverwachte nieuwe bundel van Denoo die zal verschijnen bij Kleinood & Grootzeer.


Joris Denoo, een man van vele blogs, en vele oorlogen...

http://jorisdenoo.skynetblogs.be
http://vreeslijkeverhalen.skynetblogs.be
http://romaneskeboeken.skynetblogs.be
http://ericaangel.skynetblogs.be
http://blog.seniorennet.be/joris_53_marius81
http://blog.seniorennet.be/ericotonne
http://blog.seniorennet.be/geraldine_roslare
http://blog.seniorennet.be/donderdag_007_4
http://blog.seniorennet.be/romansDNO
http://miljardenflarden.bloggen.be
www.tinedefilm.be
http://itsgreyhound.tumblr.com


dinsdag 28 maart 2017

Vier brieven aan mijn zoon (01) - Joris Denoo

01


Ze zijn negentien gebleven te Ieperen.
In Werchter zijn ze weer negentien.
De ene kluit is de andere niet.
En hun tenten, graven en koorts.

De tijd staat zo stil in jou,
tenzij hij suist als een schicht.
Soms slaat hij in, soms sluimert hij.
Maar altijd is hij slapende vennoot.

Laat ons drie tenten opslaan:
jij, wij en de letteren.
Op de zuidflank van Hill 19.
Laten we knetteren.


© Joris Denoo


Bovenstaand gedicht maakt deel uit van de cyclus “Vier brieven aan mijn zoon” van Joris Denoo die hier op ‘de Schaal van Digther’ gedurende vier dagen wordt gepubliceerd. De cyclus wordt in het najaar van 2017 opgenomen in "Zwaartekracht", een langverwachte nieuwe bundel van Denoo die zal verschijnen bij Kleinood & Grootzeer.


Joris Denoo, een man van vele blogs, en vele oorlogen...

http://jorisdenoo.skynetblogs.be/
http://vreeslijkeverhalen.skynetblogs.be/
http://romaneskeboeken.skynetblogs.be/
http://ericaangel.skynetblogs.be/
http://blog.seniorennet.be/joris_53_marius81/
http://blog.seniorennet.be/ericotonne/
http://blog.seniorennet.be/geraldine_roslare/
http://blog.seniorennet.be/donderdag_007_4/
http://blog.seniorennet.be/romansDNO
http://miljardenflarden.bloggen.be/
www.tinedefilm.be
http://itsgreyhound.tumblr.com/


maandag 27 maart 2017

De oneindigheid - Giacomo Leopardi

Een poëtisch commentaar van Edward Hoornaert bij L’infinito 

Goed tien jaar geleden reisde ik met de auto richting Umbrië en de Marken, twee Italiaanse regio’s die het bij de meeste toeristen in populariteit moeten afleggen tegen Toscane als gedroomde reisbestemming, maar die qua authenticiteit helemaal niet moeten onderdoen voor het gebied waar de Italiaanse renaissance in de vijftiende en zestiende eeuw haar hoogtepunt beleefde. Umbrië, ook wel il cuore verde d’Italia genoemd, herbergt met Perugia misschien wel één van de mooiste capoluoghi van Italië terwijl de Marken, ingebed tussen de Apennijnen in het westen en de prachtig uitgesneden Adriatische kust in het oosten, met zijn rijk geschakeerde lappendeken van ontelbare heuvels én de aanwezigheid van kunst en cultuur in tal van kleinere en grotere steden niet voor niets ook soms als het ‘nieuwe Toscane’ geprezen wordt. Het is in laatstgenoemde regio (waarvan de van oorsprong Oudgermaanse naam nog herinnert aan de middeleeuwen, toen het grondgebied van de Marken nog aan de grens lag van het keizerrijk van Karel de Grote) dat Recanati ligt, een stadje gelegen bovenop een heuvel én onlosmakelijk verbonden met zijn ontegensprekelijk beroemdste inwoner die er aan het einde van de 18e eeuw geboren werd en er in het begin van de negentiende eeuw zijn jeugdjaren doorbracht, met name de grote Italiaanse dichter Giacomo Leopardi (1798-1837).

Monte Tabor, il colle dell’infinito

Een bezoek aan Casa Leopardi, het ouderlijke huis van Leopardi, was een van de belangrijkste redenen van mijn bezoek aan de stad. Het palazzo heeft immers een prachtige familiebibliotheek die zowat de hele eerste verdieping van het gebouw inneemt en waar de schrijver in spe zich op vijftienjarige leeftijd verdiepte in de studie van klassieke en moderne vreemde talen, geschiedenis, filosofie en filologie. Wat echter nog meer tot mijn verbeelding sprak was Monte Tabor, een kleine heuvel niet ver van het paterno ostello van waaruit Leopardi vaak in alle eenzaamheid ging wandelen om zijn geest de nodige ruimte te geven. En laat het nu net de warme herinneringen aan die wandelingen op Monte Tabor zijn die Leopardi er in 1819, op amper 21-jarige leeftijd, toe zullen brengen één van zijn meest tot de verbeelding sprekende gedichten neer te pennen: L’infinito (De oneindigheid). Monte Tabor heeft er zijn bijnaam il colle dell'infinito aan te danken en in het park dat men er heeft aangelegd vlakbij het Centro Studi Leopardiani, vind je het openingsvers ‘Sempre caro mi fu quest’ermo colle’ (‘Steeds was mij deze eenzame heuvel lief’) in grote letters op een muur terug. Het is op die plek dat je, op heldere dagen, met je rug gekeerd naar de muur, vanop de op het zuiden georiënteerde heuvel de besneeuwde toppen van de Monti Sibillini kan aanschouwen. Het is ook op diezelfde plaats dat Leopardi ’s avonds de maan in al haar bevalligheid kwam bewonderen, waarvan een wondermooie impressie in Alla luna, een ander bekend gedicht van zijn hand.

Een ‘kleine beeltenis’ van het oneindige

Het gedicht L’infinito maakt deel uit van de bundel Idilli (Idyllen, 1826). Een idylle betekent letterlijk ‘kleine beeltenis’ en beperkt zich doorgaans tot een lieflijke schildering van het landelijke, eenvoudige leven, zoals dichters zich dat droomden: vredevol, gelukzalig en vrij van elke ondeugd. Met de keuze voor deze titel schrijft Leopardi zich nadrukkelijk in in een klassieke poëtische traditie die zijn aanvang neemt bij Theocritus en de Alexandrijnse dichters. En toch neemt hij meteen ook afstand van die traditie. Zoals hij later zelf zal aangeven in het werk Disegni letterari (1828) zijn de Idilli in feite composities die ‘situaties, affecties, historische avonturen van zijn geest’ tot uitdrukking brengen. De idylle wordt bij Leopardi met andere woorden een genre waarin de dichter zichzelf niet zozeer tot doel stelt een landelijk tafereel in woorden te schilderen, maar zich bij het aanschouwen van de natuurlijke wereld die zich voor zijn ogen voltrekt bovenal concentreert – in een vorm van pure lyriek – op zijn gemoedstoestand, zijn diepere gevoelens, de bewegingen van zijn geest. Leopardi vernieuwt de idyllische traditie door een persoonlijke en intieme dimensie aan zijn verzen toe te voegen. Dergelijke verinwendiging van het ‘gebeuren’ breekt de idylle open en heft de begrenzing en beperking van die ‘kleine beeltenis’ op. Het beeld dat de dichter voor ogen staat ontdubbelt zich in een werkelijk beeld (empirisch waarneembaar, beperkt en begrensd) en een ‘virtueel’ beeld (vrucht van de dichterlijke verbeelding). De voortdurende slingerbeweging tussen wat het subject ziet en hoort enerzijds en datgene wat hij zich voorstelt en herinnert anderzijds brengt zijn geest in extase en het is in die extreme gemoedstoestand dat het oneindige voorvoeld wordt.

L’infinito

Sempre caro mi fu quest’ermo colle,
e questa siepe, che da tanta parte
dell’ultimo orizzonte il guardo esclude.
Ma sedendo e mirando, interminati
spazi di là da quella, e sovrumani
silenzi, e profondissima quiete
io nel pensier mi fingo; ove per poco
il cor non si spaura. E come il vento
odo stormir tra queste piante, io quello
infinito silenzio a questa voce
vo comparando: e mi sovvien l’eterno,
e le morte stagioni, e la presente
e viva, e il suon di lei. Così tra questa
immensità s’annega il pensier mio:
e il naufragar m’è dolce in questo mare.

De oneindigheid

Steeds was mij deze eenzame heuvel lief
en deze heg, die aan zoveel zijden
de verre horizon aan ’t oog onttrekt.
Telkens als ik hier zit, stel ik me erachter
onmetelijke ruimten voor, en stilten
die ’t menselijk begrip te boven gaan,
en peilloos diepe rust; waarbij ik soms
bijna verstijf van angst. En als ik dan
de wind door deze takken heen hoor waaien,
dan vergelijk ik die immense stilte
met dit geruis: ik denk aan de eeuwigheid,
aan de afgestorven jaren, en aan dit
dat leeft, en aan ’t geluid ervan. En zo
verdrinkt mijn geest in eindeloze diepten,
en zoet is ’t mij in deze zee te zinken.

(Vertaling: Frans van Dooren)


Het gedicht, dat uit één enkele strofe van 15 hendecasyllabi bestaat, vertrekt vanuit het eenvoudige decor van een idylle, een landschap gevormd door een eenzame, geliefde heuvel en een heg die de horizon aan het gezicht onttrekt. Het is echter net de waarneming van dat laatste obstakel die de verbeelding van het subject in werking doet treden en paradoxaal genoeg ruimte creëert voor ‘onmetelijke ruimten’ en ‘stilten die ’t menselijk begrip te boven gaan’. Na dit eerste overwegend visuele deel waarin de perceptie van oneindigheid in ruimte zich aan het subject openbaart (binnen het speelveld van zijn verbeelding weliswaar), volgt een tweede meer auditief deel waar opnieuw een concreet element, namelijk het ruisen van de wind dat zich als stem van het heden over de immense stilte van de onmetelijke ruimte binnen de verbeelding legt, de deur openzet naar het ervaren van een oneindigheid in tijd. Het horen van de wind maakt het subject opnieuw bewust van het levendige heden, maar roept meteen ook op wat niet meer tot dat heden behoort: ‘de afgestorven jaren’, de tijd in al zijn ‘eeuwigheid’. Levert Leopardi hier het fictieve bewijs van de grootsheid van de menselijke geest die het hele universum kan gevoelen, zonder enige beperking in tijd en ruimte? De ontdekking van oneindigheid verloopt bij Leopardi in elk geval via de zintuigen, en niet langs de weg van het verstand. Meer nog, het opheffen van de rede is een noodzakelijke voorwaarde om onder te kunnen gaan in de zee van oneindigheid. Het lyrisch subject stelt zich iets voor wat (per definitie) niet te vatten is wegens ‘onmetelijk’ en ‘peilloos’. Begrip (‘greep krijgen op iets’) veronderstelt net afgrenzing, afbakening (zowel in tijd als in ruimte). En daar waar het subject in het eerste deel nog vreest zichzelf te verliezen in dit avontuur van de geest omwille van de onbekendheid met een niet eerder ervaren stilte, rust en onmetelijkheid die hem tegelijkertijd aan de dood doen denken (‘ove per poco il cor non si spaura’), boezemt schipbreuk hem aan het einde geen angst meer in. Welintegendeel, het is met het grootste genoegen dat hij zijn geest laat zinken in de ‘eindeloze diepten’ van de zee der oneindigheid (‘e il naufragar m’è dolce in questo mare’).

Neigen naar het oneindige

Volgens Leopardi neigt de mens van nature uit naar oneindigheid. Het is Leopardi hier echter niet te doen om bovennatuurlijke krachten, om pure metafysica, maar veeleer om het streven naar een genoegen dat geen grenzen kent in duur noch uitgestrektheid, zo zal later duidelijk blijken uit zijn ‘teoria del piacere’ die hij ontwikkelt tussen 1819 en 1823 en waarvan de kerngedachte neergeschreven wordt in zijn Zibaldone (1820). Daarin stelt hij piacere (genoegen) gelijk aan felicità (geluk), maar verkiest hij, ter verduidelijking van zijn theorie toch de eerste, meer sensualistische term. In deze theorie staat Leopardi stil bij ons ‘neigen naar het oneindige’ dat wij niet kunnen bevatten, tenzij via de verbeelding, maar dan nóg enkel op onbepaalde wijze en niet op oneindige wijze. Het oneindige is immers altijd vrucht van de menselijke verbeelding, die eindig is. Maar het is wel enkel via de verbeelding dat we geluk kunnen ervaren. Enkel door jezelf over te geven aan de uitgestrektheid van de verbeelding en de rede op te heffen, door jezelf te laten opgaan in een oneindige, onbepaalde ruimte, door jezelf te verliezen, kan je een echt genoegen ervaren. Dit genoegen kan telkens opnieuw hernieuwd worden via nieuwe gewaarwordingen die je toelaten om het per definitie tijdelijke karakter van de werkelijkheid te overstijgen, tot de dood er een einde aan maakt. Het zich kortstondig inbeelden (of creëren) van die oneindigheid heeft voor Leopardi bijna vanzelfsprekend baat bij een poesia vaga e indefinita (een vage en onbepaalde poëzie) waarbij de verzen onder elkaar niet enkel een een metrisch continuüm vormen, maar ook een syntactisch continuüm dankzij de vele enjambementen en voegwoorden. De keuze voor een woordenschat die elke concrete waarneming of waarneming van eindigheid ontwijkt, draagt eveneens bij tot een ‘onbepaalde’ waarneming die verder uitdeint in tijd en ruimte. En daar waar in het begin van het gedicht nog concrete plaatsbepalingen (‘quest’ermo colle’, ‘questa siepe’) gebruikt worden die verwijzen naar een welbepaalde plaats, met name Monte Tabor in Recanati, vervagen ook die naarmate we verder ondergedompeld worden in het bezwerende ritme van het gedicht en andere, vagere elementen het oneindige, het onbepaalde oproepen (‘questa immensita’, ‘questo mare’). Hoe aardig dit alles ook klinkt, toch zijn het gedicht ‘L’infinito’ en bij uitbreiding Leopardi’s ‘teoria del piacere’ evenveel uitingen van het pessimisme van de dichter. Leopardi is zich namelijk maar al te zeer bewust van het feit dat zijn streven naar genoegen of geluk ijdel is, want vrucht van de verbeelding die op zijn beurt vrucht is een bewust gecreëerd contrast tussen wat eindig is (de heg als obstakel) en oneindig (‘onbegrensde ruimtes’ en ‘bovenmenselijke stiltes’). Het onzegbare ontvouwt zich voor onze ogen en laat van zich horen via het gegeven van de analogie als het gereedschap bij uitstek waarmee wij de wereld vormgeven. ‘Elk genoegen is eindig, maar hét genoegen is oneindig.’ In het gedicht L’infinito zijn het niet de dagdagelijkse, vluchtige vreugden en voldoeningen die een zekere vorm van geluk voorstaan – die verdoven hoogstens even de pijn. De ware vlucht uit angst en pijn bestaat erin op zoek te gaan naar het genoegen dat oneindig is in getal, in duur en in uitbreiding, een genoegen dat de mens in de werkelijkheid dan misschien wel niet kan vinden, maar wel via de kracht van zijn verbeelding. In de werkelijkheid zijn alle genoegens en vreugden eindig en afgebakend in tijd en ruimte, maar de menselijke verbeelding heeft de mogelijkheid dingen te bedenken die er niet zijn en dit bovendien ook op een manier waarop werkelijke dingen doorgaans niet zijn. Dergelijk vermogen tot verbeelding is volgens Leopardi eigen aan kinderen en kan niet zonder een zekere dosis onwetendheid, een soort kennis gebaseerd op het zintuiglijke. Het gedicht L’infinito evoceert op die manier, via Leopardi’s herinneringen aan de vele wandelingen op Monte Tabor tijdens zijn jeugd, misschien wel op een nostalgische manier de illusies en fantasieën die hij als kind op die plek ervaarde en als dichter steeds is blijven koesteren.



© Edward Hoornaert



zaterdag 18 maart 2017

Een vermoeden van licht (1) - Richard Foqué

Vier gedichten uit 'Een vermoeden van Licht'
(De bundel bestaat uit 4 cycli van telkens 12 gedichten: 1. De verloren tijd, 2. De instortende tijd, 3. De zoekende tijd, 4. De herwonnen tijd)


2. De instortende tijd


2.1


Teken de wereld in één lijn
teken haar met een pen
gedrenkt in bloed
tot de winter komt
de oorlog openbarst
in een wereld van was.

De dagen uitgeleefd
het daglicht verzegeld
tussen wraak en straf.
Verdriet nu is niet genoeg
vergeving teveel.
Schraap het bloed
vouw de lichamen
smoor het gejammer
in een plastic zak.

Maar laat de bloemen
laat de kaarsen rouwen
tot de morgen komt
als een bevroren icoon
in vijandige grond
in verkillende wind
in een wereld van was.


2.5


Nachten komen
nachten gaan
koud licht blijft.
Eeuwige getijden.

Uilen sterven
eenzaam in hun torens.
Vossen vluchten
uit hun burchten.
Vleermuizen vinden
niet langer hun grot.

Dit zijn de dagen
van instortende tijd.
De wolken te laag
om de zon te kwetsen.
Terwijl wij dwalen
door lege waters
ontkennen dat tijd
zich vergrijpt aan leven.


4. De herwonnen tijd


4.4


Het is vuur
dat van heuvels rolt.
Wij vallen in lichterlaaie.
Wij de kwetsbaren
verschrompelen tot onszelf.

Terwijl we verdwijnen
willen we blijven
het onafwendbare delen
de lege kamer met de nacht.
Willen we geven
wat er niet is
de wanen van de dag
de wolken
die door de ogen drijven.

Het is geen vluchten
het is verblijven
zich wikkelen
in de plooien
van een scharlaken vlam.


4.6


Maar telkens weer
dreigt begin
trilt een snaar
verschuift de grond
wordt een cirkel gesloten
kantelt een evenwicht
is er iets dat wil.

Een vaag geritsel
een vermoeden van licht
alsof stilte wil roepen
in de donkerte
alsof een vlies wil breken
het niets ontstaan.
Want zo is alle begin
het wacht.


© Richard Foqué



De voorgaande vier gedichten zijn een eerste voorpublicatie uit de bundel “Een vermoeden van licht” van Richard Foqué die in het najaar verschijnt bij Uitgeverij P te Leuven. De bundel zal worden voorgesteld op zaterdag 7 oktober 2017 om 20h00 in De Zwarte Panter, Hoogstraat 70-74, 2000 Antwerpen. De dichter heet alle lezers van de Schaal van dighter nu al van harte welkom. Zeg niet dat we er niet vlug bij zijn!

Een tweede selectie uit het typoscript van de bundel wordt door de Schaal van Digther gepubliceerd in de maand september.






dinsdag 14 maart 2017

Het boekje van de dichter - Gaea Schoeters

























Goodbye to the #blackbook (ideas '15-'16). Was happy to see how many of the concepts in there were realised and how many ideas found their way into a novel, theatre piece, poem or story. Ideas and concepts still valid (&which I still like) have been copied into the #bluebook (2017-2018) for further thought. Now all we can do is hope that the #redbook agrees - because that measures time #agenda #schedule #fullofplansandthingstodo #writer // Daar zit nog stof in voor minstens twintig jaar schrijven. Romans, (muziek)theater, een opera (of 2 of 3), kinderboeken, kortverhalen en zelfs een nieuwe tv-reeks. Sorry jongens. Jullie zijn nog een tijdje niet van me af.

Bron: Gaea Schoeters op Instagram en Facebook (7 maart 2017)

www.gaeaschoeters.be

Alle "Boekjes van de dichter"

zondag 12 maart 2017

dezelfde kant - Anne Cockaerts

eerst dragen we woorden later de rest
blijf hier maar wachten zeg je hier
ik hoor hoe de mist het zicht beneemt

de weg ademt het kind van acht
dat we nooit hadden maar altijd tussen ons in loopt
wijst naar wat wij niet missen

ik wil alleen maar de hand van een vreemde
desnoods een geliefde om vast te houden
als dag op zich laat wachten

of pas komt als het te laat is



© Anne Cockaerts


vrijdag 10 maart 2017

Geuzentoren, Muziekbos - Wouter Rogiest

Geuzentoren, Muziekbos*


Aan mans verleden gaat een mierenhoop
van namen stil voorbij. En toch probeer ik,
boze mus, het hoogste woord wel eens
te voeren, leg ik een man als Pol de Mont
het vuur aan de schenen maar al te graag.

In de schoot van zijn Vlaamse Ardennen
rol ik me om in zijn recept.

Garneer met varens en amandel
al zijn verzen en droom weg.

En word ik wakker te midden van stenen
omdat geen muur oneindig houdt,
ik schenk ze aan de zotten weg
en hoop dat Ronse 't me vergeeft.



© Wouter Rogiest



* De 19e-eeuwse Geuzentoren bevindt zich in het Muziekbos, een uitgestrekt natuurgebied in de gemeente Ronse. Op een voorjaarsdag in 1888 werd deze toren beklommen door dichter Pol de Mont (1857 - 1931), die naar verluidt weinig bekend was met de streek. Geïnspireerd door het heuvelachtige landschap met zijn natuurpracht kreette hij tot zijn gezelschap: "Maar dat zijn hier de Vlaamse Ardennen". Hieraan dankt de streek haar naam. / “Aan mans verleden” en “varens en amandel” zijn anagrammen van “Vlaamse Ardennen”. "Ik, boze mus” is een anagram van "Muziekbos". / Het Muziekbos ligt op een viertal kilometer van de Grote Markt van Ronse, met in de onmiddellijke nabijheid de zogenaamde Zottenmuur.

Tot zondag 5 maart 2017 kon er in Domein Puyenbroeck poëtisch gewandeld worden. Bij de 25 gedichten van de wandeling was ook een gedicht van Wouter Rogiest. De gedichten konden gelezen én beluisterd worden, met de hulp van een app van Gentse app-ontwikkelaar OJOO.










donderdag 2 maart 2017

Bosdichter - Frans Deschoemaeker

Iemand van The Lappersfort Poets Society deelt mij mee dat hij een gedicht van mij gevonden heeft in een oud plakboek van zijn moeder. Hij vraagt mij toestemming om dat gedicht, waarin het woord bossen voorkomt, te publiceren op de website Poëziebos. Ik antwoord hem dat ik wel andere, en meer uitgesproken bosgedichten heb dan dat oude gedicht uit mijn debuutbundel Stroomafwaarts, waarin bossen slechts zijdelings ter sprake komen. Ik stuur hem een mooie bloemlezing van tien gedichten, en nodig hem uit daar zelf een gedicht uit te kiezen. Kiezen blijkt echter moeilijk, want mijn correspondent plaatst meteen de hele verzameling online. Met deze substantiële aanplant ben ik nu ook officieel bosdichter. En mijn gedichten staan daar goed, middenin het virtuele chlorofyl.

Dat oude plakboek bevatte de poëziekroniekjes die Jozef Deleu in de vroege jaren tachtig van de vorige eeuw schreef voor De Bond, het weekblad van de Bond van de Grote en Jonge Gezinnen, onder de titel Lees maar, er staat niet wat er staat. In aflevering 57 besprak hij uit mijn debuutbundel het gedicht Terugkeer in het landschap. Zelf bezit ik het knipsel ook nog, want ik werp, net als de mama van mijn correspondent, nooit iets weg, met het oog op de geschiedschrijving.

En ook om af en toe eens mijn gelijk te halen. Want zie; ooit vertrouwde ik in een interview de journaliste Sofie Rycken het volgende toe: we schrijven allemaal om een spoor na te laten. We schrijven niet voor de eeuwigheid, we schrijven voor de bibliotheken van de eeuwigheid. Of je vijftig jaar na je dood nog wordt herdrukt of niet is tamelijk irrelevant. Ooit zal wel weer iemand in een oude bibliotheek, hoog op een trapje, één van je boeken vinden. Ooit zal wel weer iemand in de laaglandse grensgebieden van de virtuele ruimte één van je gedichten zien oplichten. En misschien wordt die persoon wel getroffen door een flits van zijn waarheid die trilt in een van jouw stijlfiguren. Niets verdwijnt ooit helemaal. Niet dat je over de tongen loopt, maar je leidt een ondergronds leven. Ik ben er mij goed van bewust dat poëzie een minimaal gebeuren is.

Bibliotheken, webpagina’s, vergeelde jaargangen, oude plakboeken. Wat een werelden! Wat een brede adem over de uiterwaarden! Wat een groene, belommerde netwerken!



© Frans Deschoemaeker

Uit: De waterlelies van Montparnasse, een werk in gestadige voortgang.

Extern:
Site Poëziebos
Tien bosgedichten van Frans Deschoemaeker (pdf-bestand)

woensdag 1 maart 2017

Twee redactie-kiekjes

Za 25/2/2017 - vlnr Paul Rigolle, Hugo Verstraeten en Frédéric Leroy
Za 25/2/2017 - Alain Delmotte en Herlinda Vekemans

maandag 27 februari 2017

'Warhoofds Gekkenwerk' voorgesteld

Zaterdag laatst werd 'Warhoofds gekkenwerk' de nieuwste dichtbundel van Digther-redacteur Alain Delmotte voorgesteld. In de Bib van Harelbeke beleefde een ruim
opgekomen gezelschap van poëzieminnaars een erg onderhoudende namiddag. Bibliothecaris Jan Van Herreweghe verwelkomde. Frank De Crits situeerde zijn vriend Delmotte in leven en werk. Bart Vonck interviewde. Alain Delmotte las en tot slot plaatste uitgever en dichter Ton van 't Hof de nieuwe bundel in het fijne perspectief van het Stanza-fonds. In het sterke, integere interview van Bart Vonck kwamen heel wat pregnante dingen aan bod. 'Warhoofd', zo zei Delmotte, zou geen snars begrijpen van het vroege werk van de dichter. De dichter plaatste met bravoure en, vertrekkend vanuit het plastisch werk van Luc Peire en Michel Seuphor, de poëtische begrippen 'verticaal' en 'horizontaal' tegenover elkaar. Ook Beckett en Buster Keaton gingen gretig met elkaar in de clinch. Net als A.D. (de dichter) met het personage 'Warhoofd'. Voorts zinderen van de namiddag nog wel meer mooie dingen door. We onthouden dat het (niet alleen voor dichters) “moeilijk is om met paradoxen te leven" en dat de slotsom in dit Warhoofdig tranendal vaak leidt tot de eeuwige vaststelling: "Nous sommes tous des poires". Mooie namiddag! Mooie nieuwe bundel! Kopen!

Hieronder enkele foto’s van de voorstelling. Meer foto’s, van de gelegenheidsfotografen Jan van meenen en Paul Rigolle, zijn bereikbaar via deze 'Digtherlijke' link op de Digther-Facebook-bladzijde.

Alain Delmotte, Warhoofds Gekkenwerk, 2017, Uitgeverij Stanza

(P.R.)

Frank De Crits leidt in
Alain Delmotte leest
Interview Bart Vonck - Alain Delmotte
Nog wat interview
Ton van 't Hof plaatst Warhoofd Gekkenwerk
Werk van Lucas Devriendt

vrijdag 24 februari 2017

Een dichter van de soort

Fijn toch om af en toe 's een oud en nog ongelezen interview terug te vinden... Het terugvinden van, het is en blijft één van dé discrete charmes van het internet...

(Vindplaats: Maria Foerier in gesprek met Ingmar Heytze op vrijdag 3 februari 2011)

woensdag 22 februari 2017

Funeral sentences - Alain Delmotte

Warhoofds eenzame uitvaart.

1.

Je had geen schijn van kans. En iedereen wist het. Je uitkering wees
aan hoe kwakkelig je eraan toe was.

Goden, die messentrekkers, hadden het zo voor jou voorzien, verdoken zich, hielden zich voor dood op de manier zoals dat in
sommige boeken staat beschreven.

Sterren voorspelden het. Statistieken berekenden netjes de
onontkoombaarheid.

Beleidsmakers keken er niet naar om: er zijn zaken van groter
belang.


2.

Je huisarts merkte het al vroeg aan je bloeddruk, je hoest en de onzin
die je bij de raadpleging uitkraamde.

De bankhouder merkte het aan je schulden.

De ambtenaar zag het aan je aangifte.

De deurwaarder begreep het meteen bij het aanschouwen van je
meubilair.

De flik herkende het onherroepelijk aan je smoel.

De kleine mensheid in je omgeving maakte er grappen over. De
kroegbaas vertelde het aan zijn klandizie door.

Je kompanen, dat zootje ongeregeld, die konden het slechts
vermoeden. Ze konden het moeilijk raden. Ze vonden er de woorden
niet voor, ze konden het niet, ze konden het niet kwijt.


3.

Zelfs wij, delvers van dienst, wij met onze koude kleren aan,
verzameld rond wat er van je rest. Wij vertonen beroepshalve hoe het
staat om te rouwen: geen van ons treurt.

4.

Iedereen wist het, makker: je had geen schijn van kans, niet de
minste.

Onweerlegbaar is de taaie aarde die je straks zal moeten doorslikken daarvan
het feitelijke bewijs.



© Alain Delmotte


Uit 'Warhoofds Gekkenwerk'. De bundel wordt op 25/2/2017 voorgesteld in de Bib van Harelbeke!

dinsdag 21 februari 2017

Verbeurdverklaring - Alain Delmotte

Warhoofd laat los en brengt in uitverkoop.


1.

Uitverkoop van menselijke trekken.

Kleverige massa’s aan herinneringen. Poses in alle maten en voor
elke gelegenheid.

Zonder doktersvoorschrift is waanzin vrij te verkrijgen: tot verfijnde
brandewijn gedistilleerd - een borrelglaasje volstaat voor finale
verslagenheid.

Als splinternieuw: iemands hypochondrie, tics en kwaaie uitspraken.

Retorische stijlfiguren, mentale struikelblokken, gedisciplineerde
assertiviteit: noem het - het staat al klaar.

Duurzaam, continu verkrijgbaar, want onuitputtelijk in voorraad:
fikse geuten boosaardigheid.


2.

Voor wie ernaar op zoek mocht zijn: van een handvol tirannen werden
in onze vrieskamers zaadcellen vergaard. Beschikbaar zijn eicellen
van zowel Medusa als Medea.

Wie in vitro een en ander weet te combineren: succes ermee.


3.

Het demonische genie van de cipier waarbij een extra hoort: het
dieventaaltje van de bankier.

Toch wel bijzonder, parel op de kroon: de stijfhoofdigheid van de
kettingroker.

Absoluut uniek, in promotie, zij het onbetaalbaar: de zeer zeldzame
strak gelooide ego’s van de eenzaat, de troglodiet en de sjamaan.

Erfenis van iemands dromen, waarachtig godsgeschenk: de as van
hoe ’s nachts de zon is – uitgeblust!


4.

Uitverkoop van de geestdrift.

(Helaas, het aanbod is op. Niets lichtzinnigs, beminnelijks of
argeloos meer. Zo leeg als het heelal zijn onze depots. We blijven in
de kou.

Toeval, sterrenstof en tijd waakten erover dat een paar Goden en hun
ingevingen hier nog wat zijn blijven hangen. Ze kunnen enkel in
bruikleen worden verkregen.

Hou er rekening mee dat ze zwijgen.)


5.

Uitverkoop van dichterlijke werken.

Woorden. Grote woorden, grote hopen woorden, hopeloos holle
woorden, hun prijs niet waard -

ze zingen niet.

Woorden. Laat het gelden als een verwittiging, als een dreiging: ze
hoesten, ze rochelen, ze roesten maar

ze bloeden niet.



© Alain Delmotte


Uit 'Warhoofds Gekkenwerk'. De bundel wordt op 25/2/2017 voorgesteld in de Bib van Harelbeke!

maandag 20 februari 2017

Zeg eens wonden - Alain Delmotte

Warhoofds vragen voor een interview met de wonden.

1.

Zeg eens wonden: pijn, is pijn jullie tot bezieling? Is pijn jullie
bewustzijn? Of zijn jullie het bewustzijn van pijn? Want, ja, hebben
jullie wel weet van jullie bestaan als wonden?

Indien zo: hoe ervaren jullie dit bestaan? Hoe ervaren jullie het
bestaan van wie jullie moet ondergaan?


2.

Klopt het wat wordt beweerd: dat stigma’s jullie wijze van
verwondering zijn? Is verschrikking jullie verantwoordelijkheid?

Hoe verantwoorden jullie dan die verschrikking?


3.

Is kermen en kreunen, jullie blijvend smeulen, een soort taal? Zijn
schrammen en japen jullie tot schrikdraad of spijkerschrift?


4.

Beschikken jullie over een wil of voeren jullie, op bevel van een zelf
verzonnen hogerhand, in het wilde weg uit?

Hopen jullie ook op roem en op een eeuwig leven? Is blijvend
smeulend jullie hoger doel?


5.

Vormen jullie eensgezind een welwillende gemeenschap van
kwaadwilligheid? Beconcurreren jullie elkaar? En willen jullie
allemaal de diepste zijn?

Planten jullie zich voort? Planten jullie zich in iemands kinderen voort?
Of zijn jullie wat iemand nalaat? Wat iemand van bij zijn aanvang erft?

Legt iemand jullie een limiet op? Of zoeken jullie al naargelang de
omstandigheden zelf de limiet uit? Of zijn jullie datgene wat in de
limiet is bereikt?


6.

Is liefde jullie vertrouwd en bekend? Is liefde jullie tot
mistroostigheid? Is zorg voor jullie behoefte of ontbering? Ontlopen
jullie troost? Loopt troost voor jullie niet op ontgoocheling uit? Op
minder pijn?

En zeg eens lieve wonden, lichtvoetigheid: welke bedreiging roept
lichtvoetigheid bij jullie op?



© Alain Delmotte


Uit 'Warhoofds Gekkenwerk'. De bundel wordt op 25/2/2017 voorgesteld in de Bib van Harelbeke!





zaterdag 18 februari 2017

Elementen van warhoofdigheid (4) - Alain Delmotte

9.

Van Julian Tuwim tot Adam Zagajewski (ik voeg daar nog vlug Ewa Lipska aan toe): de Poolse poëzie van de twintigste eeuw intrigeert me. Die van de eenentwingste eeuw zijn me helaas minder vertrouwd. Op een paar namen na.

Een van de meest vermaarde, naoorlogse dichters is Zbigniew Herbert (1924-1998). Hij ontving nooit de Nobelprijs hoewel hij die zeker verdiende. Toen Szymborska de hare ontving verklaarde ze dat die prijs eigenlijk Herbert toe kwam. Hij werd beroemd met o.m. zijn zeer scherpzinnige ‘Meneer Cogito’ - gedichten. Deze gedichten lokten mondiaal veel commentaren uit. Ik zal me hier beperken tot een vergelijking met Warhoofd, tot mijn eigen verhaal over Meneer Cogito.

Wat Meneer Cogito en Warhoofd gemeen hebben is dat beiden de werkelijkheid willens nillens moeten toelaten. Ze beschouwen dit als hun morele plicht – al vinden ze die werkelijkheid wezenlijk ontoelaatbaar. Bij Warhoofd neemt die werkelijkheid de vorm aan van het toeval, bij Meneer Cogito is die werkelijkheid de ‘feitelijke geschiedenis’. Herberts poëzie ontstond in een historische context die ik maar gemakshalve ‘het Communistische dictaat’ zal noemen.

Warhoofd en Meneer Cogito lijden onder de werkelijkheid maar verbijten dat lijden. Het lijden wordt verzacht met zelfironie. Een ironie die nooit de werkelijkheid ontkent – of een ironie die hen zonder meer terug naar de werkelijkheid brengt: er is geen ontkomen aan. In zekere zin zou je kunnen stellen dat beiden over een grote dosis moed beschikken, zonder daarbij heldhaftig te worden. Ze houden zich enkel koppig staande.

Dat Meneer Cogito overgevoelig is ligt voor de hand. In een gedicht hoort hij ‘glasscherven kreunen’. Van een scherp gehoor gesproken. Hij is stuurloos in de manier waarop hij zich richtingen bedenkt. Dat die richtingen zich kantje boord van de afgrond bevinden daar is hij zich bewust van en al even bewust dekt hij die afgrond keurig af.

Hij is minder stuurloos dan Warhoofd die struikelt, valt, rent en tegen muren en palen aanloopt. Meneer Cogito staat op twee benen maar gaat met die benen wankelend, wikkend en wegend door de wereld.

Warhoofd improviseert. Meneer Cogito (de naam zegt het zelf) denkt na. Het is duidelijk dat qua intelligentie Meneer Cogito de meerdere is van Warhoofd. Meneer Cogito zie ik eerder als een emeritus professor in de filosofie en/of de kunstgeschiedenis. Hij is een goede, oude Homo Universalis. Warhoofd is een modale middenvelder, lukraak op dwaaltocht in een tijd waar hij noppes van begrijpt. Of tenminste doet alsof hij er niets van begrijpt. Want onderschat hem niet: hij is even schattig als sluw.

Wil ik daarmee zeggen dat Meneer Cogito aan het conforme is aangepast? Nee, een aangepaste, een meeloper is hij in geen geval want hij denkt na in een context waar directief, autoritair en repressief vereist wordt dat men liever niet nadenkt – dat de Partij dat wel voor ons zal doen. De Partij geeft de grenzen aan en die zijn zeer nauw: strikt ideologisch en nimmer poëtisch. De maatschappelijke verordening luidt: ‘Gids niet, volg!’.

Meneer Cogito is een dissident. Zoals poëzie per definitie altijd een vorm van dissidentie is – al merken we dat niet meteen. De poëzie is dissident in de manier waarop ze staat voor haar anders zijn, het anders zijn.

De ‘Meneer Cogito’ - gedichten zijn beschouwend van aard. In die mate zelfs dat geleidelijk aan in het werk van Herbert ‘Meneer Cogito’ als personage wegvalt en er een ‘taalfiguur’ tevoorschijn komt. Daarmee bedoel ik dat Meneer Cogito staat voor een bepaalde denkwijze, voor een manier van zijn. Dat is wat Warhoofd ook voor mij aan het worden is: het nulpunt van waaruit zich mentaal een moeilijk te vatten of te omschrijven beweging – een gebaar - voltrekt.


10.

Ik kan me voorstellen dat wie bovenstaande heeft gelezen zich de vraag stelt of ik eigenlijk wel Nederlandstalige dichters lees. Natuurlijk doe ik dat. Het zou mijn boekenkast oneer aandoen, mocht ik dat ontkennen. Het is alleen in een ‘Warhoofd’ context dat ik in de Nederlandstalige poëzie niet meteen inspiraties, stimulansen of echte equivalenten heb gevonden.

Maar er zijn wel degelijk dichtwerken te vinden waarin een ‘personage’ ronddwaalt. Ik denk lukraak aan het geslaagde ‘De man van vroeger’ van Victor Schiferli, aan het al even geslaagde ‘Psilo’ van Luuk Gruwez (waar ik ooit uitgebreid over schreef) en ik merkte op facebook dat Norbert De Beule een reeks aan het schrijven is over ene ‘Meneer O’. Er zijn er meer. Bij één ervan sta ik stil en eindig ik deze ‘Warhoofd’- exploratie: Mevrouw Despina van Marjoleine de Vos.

De Vos is een vakbekwame dichter, die zich wat op de achtergrond houdt. Uitgeverij Van Oorschot publiceert haar werk en daarmee laat ze zich situeren in de traditie van parlando-dichters. Ze publiceerde vijf dichtbundels. In de eerste vier staan ‘Mevrouw Despina’- gedichten. In de voorlopig laatste bundel lijkt Mevrouw Despina weggedeemsterd. Mevrouw Despina ga ik niet karakterieel analyseren. Ik leg me toe op de blik waarmee ik deze gedichten lees.

Onlangs las ik in een boek een citaat van de Franse dichter Pierre Emmanuel (1916-1984): ‘Pour être poète, il faut d’abord être un homme’. Om een dichter te zijn, moet je eerst mens zijn. Ik vond het mooi klinken maar bij het overschrijven ervan vond ik het ergens tekortschieten. Is het niet ieders taak om als mens in de eerste plaats ‘mens’ te zijn? (Wat dus een zekere gradatie aan ‘medemenselijkheid’ impliceert. En daarmee loopt het vaak mis, met die medemenselijkheid. Ik vrees dat we als mens vaak te weinig mens zijn. Dat we als mens continu aan medemenselijkheid in gebreke blijven.)

Laten we het menszijn van de dichter even toetsen aan wat de specificiteit van de dichter is. Om het kort te houden: hij werkt met taal en als hij effectief mens en medemens is dan moeten we daarvan de weerslag vinden in de manier waarmee hij met taal omgaat. Die nuance vond ik niet terug in het citaat van Emmanuel: de dichter spreekt, een dichter moet in eerste instantie vanuit het menselijke spreken. De vraag die ik me daarbij stel (want het woord heb ik in deze tekst al vaker laten vallen): wat maakt in de kern die menselijkheid uit? Wat is menselijkheid, wat kenmerkt ‘menselijkheid’?

Wat mij betreft (het is niet meer dan een persoonlijke mening): de mens is een sterfelijk wezen, die zich van zijn sterfelijkheid schrijnend bewust is, hij lijdt aan kortstondigheid, hij lijdt aan de tijd. Daarom is hij fundamenteel kwetsbaar en daarvan vinden we een weerspiegeling in het gegeven poëzie terug: de taal van het gedicht is precair, is kwetsbaar, het gedicht is weinig weerbaar – het vraagt naar een lezer. Het gedicht is broos en in hoge mate hulpeloos. Het gedicht geeft vorm aan kwetsbaarheid.

Het gedicht toont zich vooral kwetsbaar in het feit dat de betekenissen erin kunnen uitdijen, voortdurend lijken gedichten wat ze niet zijn. Het gedicht biedt niet echt houvast: daarvoor getuigt het te veel van vluchtigheid, van inherente vergankelijkheid. Het is gedicht is een doorgang: Jammer, Jan, maar je kunt er niet in wonen tenzij als een dakloze.

Het gedicht duurt enkel de tijd van de woorden die in het gedicht elkaar opvolgen - zonder dat je er echt vat op kunt krijgen. Maar tegelijkertijd drukt die vluchtige verwoording, die poging tot verwoording een waardigheid uit. Poëzie is wat iemand aan waardigheid bezit. De poëzie brengt waardigheid in iemands leven.

De Vos noteert in een van haar gedichten: ’dit moet het leven zijn/of is het soms weer taal’. Ja, het is weer eens taal in het gedicht, niet meer dan dat, taal. Taal. Met zo’n uitspraak weten we waar een gedicht op uitkomt: op onuitwisbaar, maar waardig gedragen gemis.

Het is dit aspect dat mij in Mevrouw Despina aanspreekt: Despina is zo fragiel, zo menselijk – al is ze dan een hersenspinsel van De Vos, het is een menselijk hersenspinsel. Alle ‘Despina gedichten’ zijn doordrenkt met een aquarelachtige melancholie. De gedichten verliezen hun speelsheid niet, hellen nooit naar zwaarmoedige pathos over, klinken nooit overmoedig. In die zin is Mevrouw Despina op haar manier levenslustiger dan Warhoofd, ze is minder grimmig, minder met schuldgevoel beladen. En ze wordt minder door toeval belazerd.

Beiden voelen zich wel benauwd in het bedreigend besef dat de hun gegunde tijd zichzelf genadeloos aan het aftellen is. De tijd is nu, zoals men zegt, maar op een keer is de tijd nooit meer, is de tijd er nooit meer.


© Alain Delmotte


Voorstelling 'Warhoofds Gekkenwerk' van Alain Delmotte op 25/2/2017 in de Bib van Harelbeke!



vrijdag 17 februari 2017

Elementen van warhoofdigheid (3) - Alain Delmotte

7.

De wereld die zich in Gekkenwerk laat zien is niet rooskleurig. Een zwarte zon schijnt erin door: het laatste woord neemt melancholie er op de lippen. Warhoofd is als een eenentwintigste-eeuwse Pierrot.

De melancholicus is iemand die in zijn hoofd almaar de klok hoort tikken -dat tikken is aftikken. Tenminste dat denkt hij. Het is in werkelijkheid veel erger, veel scherper. Wat hij waarneemt is het openklikken van een knipmes. Tijd tikt immers niet, tijd snijdt.

Is dit ernst? Moeten we de wereld zo ervaren? Of wordt het met opzet dik aangezet? Het ligt daar ergens tussenin: een plek die ironie wordt genoemd. Een pijnplek. Zo’n visie wordt doorgaans als pessimistisch gecatalogeerd. Dat is geen rekening houden met een gamma aan nuances. Maar, goed ja, laat het hierin kloppen: de Warhoofdteksten ‘spelen’ pessimisme uit. Maar het betreft een ‘literair’ pessimisme onder meer gestoeld op het werk van enkele Franse moralisten en het werk van de controversiële filosoof Clément Rosset (die op zijn beurt door de weinig opbeurende Schopenhauer is beïnvloed). Voor Rosset heeft de werkelijkheid – le réel – geen enkele betekenis. Wie haar interpreteert, wekt illusies op, ontdubbelt het reële en schept een schijnmanoeuvre die op een vlucht uit het reële lijkt. Volgens Rosset is er niets buiten het ongevormde van het reële om: het is wat het is en er is niets meer. (Het beeld van Rosset houd ik bewust schetsmatig: het is complexer dan wat er hier staat genoteerd.) In het afsluitende gedicht van de bundel ‘Vandaag doet ons dat nog geen kwaad’ fluistert Rosset zachtjes mee.

Ter illustratie, een prozagedicht van Baudelaire. Het magnifieke ‘La chambre double’. Het gedicht vertoont een structuur die in andere prozagedichten van Baudelaire is terug te vinden en die voor Suzanne Bernard (die een merkwaardige studie over het prozagedicht schreef) de existentiële kern voor het ontstaan en de ontwikkeling van het prozagedicht betekent.

In de eerste helft van het gedicht wordt een kamer beschreven waarin we de bekende ingrediënten van het Baudelairiaanse exotisme terug vinden: ‘luxe, calme et volupté’ – een tijdloze ruimte. Plots wordt er op de deur geklopt: ‘le réel’ doet zijn intrede - het signaal om terug te vallen in de tijd. Er volgt opnieuw een beschrijving van de kamer. Dit keer als een compleet verloederd vertrek afgeschilderd. Het is die klop op deur die interessant is: de tekst keert zich hier binnenste buiten om. Een breekpunt, een ruptuur. Een San Andreasbreuk. Een pijnplek. De onvermijdelijke kater na de fata morgana van de verrukking. Er zijn teksten die een klop op deur van het huis waar de lezer verblijft willen zijn.

Warhoofds gekkenwerk brengt geen positieve boodschap. Dit is een strategische betrachting: de nek breken van de positieve boodschappen, de politieke begoochelingen waarmee men ons zonder ophouden om de oren slaat. De gezwollen sensaties. Het spektakel. De flauwe kul. Warhoofd klaagt dit allemaal aan. De naïeveling.

Verder moet ik toegeven dat er au fond niets op illusies is aan te merken. Wie staat zich dagdromen niet toe? Wel in het besef dat het dagdromen zijn. Zoiets als het roken van een pakje sigaretten: ze gaan na een paar trekken in rook op en ze worden vergeten.

Illusies lokken een creatieve dynamiek uit: hun baarmoeder is het verlangen. Verlangen opschorten. Wie heeft daar zin in? Op wat Boeddhisten na. De malheuren die verlangen meedraagt, nemen we er maar bij. Verlangen bezorgt pessimisme een lichtvoetige tred en richting. Er bestaat vooral zoiets als schrijfgenot bij het optekenen van zwartgalligheid: in de sardonische hyperbool ervan.

8.

In deze tekst heb ik tussen de regels enkele keren Henri Michaux (1899-1984) geëvoceerd. Onder meer waar ik het had over het ‘ik’ dat tot ikjes is geïmplodeerd. Bij Michaux worden die ikjes zowel imaginaire bestemmingen als concrete stemmen. Bestemmingen worden doorzocht. Stemmen resoneren. Michaux waagt zich met een zo groot mogelijke ongeremdheid aan een sprong in zijn binnenste kern(en). Hij beukt er zich ritmisch en met alle haast in. Daarbij doorbreekt hij de muren van onze beschaving. Beschaving is voor hem een doodlopende straat. Het verleent zijn werk iets recalcitrant. Maar dit gebeurt op een introverte manier. Michaux is geen oproerkraaier: hij houdt het onderhuids – binnen de plooien.

Ik had het over Michaux als ik het had over vertakte structuren. Ik benoemde het zo om het woord ‘rizoom’ te ontwijken – een term waarmee zijn werk meer dan eens wordt omschreven. Ik had het over de ‘plooien’, want het is vanuit die plooien dat Michaux en zijn ramificaties het woord nemen. In het werk van Michaux bevinden we ons in een innerlijke ruimte en die levert ons een spectrum aan quasi oneindige en meer dan eens verbluffende percepties en perspectieven, lucide weerspiegelingen, kat- en muisspelletjes: van het mythische tot het mystieke, van het spirituele naar het psychedelische, van gedisciplineerde zelfobservatie tot de meest tomeloze zelfbezwering: Michaux laat niets onbenut en doet dat met lef. Michaux kan en mag je daarom niet aan iets vastpinnen. Hij is niet vast te grijpen. Michaux is veelzijdig en in veelzijdigheid raakt zijn werk niet uitgeput. Zijn inventiviteit blijft verrassen.

‘Plume’ is wellicht bij het grote publiek het bekendste werk van Michaux. Ik las het al heel vroeg in de Nederlandse vertaling van Laurens Vancrevel. Zoals ik het toen las, lees ik het al lang niet meer. Bij de eerste lectuur moest ik heel hard lachen. Mijn lachen onderging een metamorfose: bij het herlezen (en dat deed ik al tientallen keren) lach ik thans groen en altijd maar groener. De humor van Michaux is bittere ernst. Waar ik lange tijd overheen heb gelezen, was het gewelddadige karakter van deze teksten. Tot het morbide toe zoals – in wat ik beschouw als het meesterstuk uit de reeks – ‘La nuit des Bulgares’.

En hierin ligt het verschil tussen Plume en Warhoofd. Want Warhoofd is een hommage en geen kloon van Plume. Plume gedraagt zich in ‘La nuit des Bulgares’ als een crimineel. Warhoofd blijft de onschuld zelf: hij doet geen vlieg kwaad maar de vliegen hem des te meer. Plume gedraagt zich keurig, gevoelloos en onverschillig. Warhoofd is één en al betrokkenheid met wat hem omringt en ziet in zijn slordigheid nergens de potentiële vijandigheid van in. Wat hen wel dichter bij elkaar brengt is hun overgave aan het accidentele. In het geval van Plume is dat heel wat extremer en onvoorspelbaarder dan bij Warhoofd. Plume is als mens een onding, een speelding.

Plume: zoals kinderen al blazend lange tijd het vallen van een pluim op de grond willen tegenhouden en daarbij kirrend veel plezier aan hebben, zo stel ik me voor dat Michaux deze teksten heeft geschreven. Michaux bekende zelf dat hij bij het schrijven van deze teksten zich echt een schrijver had gevoeld. Merkwaardig voor een man die schrijven per definitie verdacht vond. Ik kan het daarom niet laten om voor mezelf deze teksten als allegorieën – of zo men wilt – als metateksten te lezen, voorstellingen van de mentale bewegingen die het schrijven uitlokt. Want ‘Plume’ betekent niet alleen ‘pluim’. Het betekent ook ‘pen’.


© Alain Delmotte


Voorstelling 'Warhoofds Gekkenwerk' van Alain Delmotte op 25/2/2017 in de Bib van Harelbeke!




donderdag 16 februari 2017

Elementen van warhoofdigheid (2) - Alain Delmotte

4.

Eerst even duidelijk stellen dat ik met deze teksten niet bedoeling heb om mijn eigen teksten te ontsluiten. Nee, ik weet niet eens of ze helemaal te ontsluiten zijn en of ze wel hoeven ontsloten te worden. Ik laat het aan de lezer over. Al adviseer ik dat men ze best laat zoals ze zijn. Ik citeerde overigens nog geen enkele letter uit de bundel. Ik probeer enkel mijn teksten op een zo speels mogelijk manier te situeren. Ik probeer hooguit mijn persoonlijk poëtisch denk- en gevoelskader (die bij de bundel hoort) aan te wijzen. Ik probeer ze straks te liëren aan een bepaalde poëtische traditie. Maar eerst wat volgt.

Welke elementen scheppen Warhoofd tot een typetje om? Wat maakt hem tot een ‘karakter’? Ik geef drie elementen aan. Drie elementen van warhoofdigheid. Ze staan in causaal verband met elkaar en vormen op die manier een vicieuze cirkel: overgevoeligheid, stuurloosheid, onaangepastheid. Ik onderneem een poging om die elementen enigszins te omschrijven.

Ik begin met ‘overgevoeligheid’. Hiervoor introduceer ik de grote Franse dichter André Du Bouchet (1924-2001). Een aantal uitspraken van hem maken duidelijk wat ik met ‘overgevoeligheid’ bedoel. Enkele maanden voor zijn dood bekende Du Bouchet in een gesprek met Daniel Quillaume dat hij ooit eens de film ‘Nostalgia’ van Tarkovksy was gaan bekijken maar dat hij halfweg was opgestapt - omdat hij het te mooi vond. De verklaring die hij ervoor heeft is dat hij de film niet als een esthetisch object kon benaderen. Hij voelde er zich er te sterk bij betrokken. Het sloot te dicht bij zijn eigen leven aan.

Dat bedoel ik met overgevoeligheid: blijk geven van een niet te doseren empathie voor wat ons omringt – mensen, dingen, feiten. Die overgevoeligheid lezen we overigens af in zijn tactiele manier waarop Du Bouchet met de syntaxis omgaat in zijn poëzie. Hij combineert sensibiliteit, intelligentie, fijnzinnige, zintuiglijke geslepen intuïtie en linguïstisch inzicht: het bepaalt de kern van zijn wel erg singuliere schriftuur.

Ik herinner me levendig een notitie van hem – al vond ik die niet meteen terug. Het kwam op het volgende neer: dat het kijken naar de wolken hem verhinderd had om ooit een echt beroep uit te oefenen. Helemaal Warhoofd!

Kijken naar wolken: het maakt iemand afhankelijk van de windrichtingen. Van efemeriden. Het lezen van een weerbericht voor zo iemand moet extreem ontroerend zijn. Voor Warhoofd is een ongerepte blauwe lucht één en al ellende. Ook bij Baudelaire vinden we wolken terug. In het openingsgedicht van Le spleen de Paris. Là-bas, là-bas zegt hij en het is die weg die hij volgt. Wie de weg van de wolken volgt, die draait waarschijnlijk maar wat rondjes. Dat maakt duizelig. Valt er in die duizeligheid poëzie te rapen? Want tussen kijken naar de wolken of het lezen en schrijven van poëzie is geen wezenlijk verschil, als je het mij vraagt. Even dwaas en even zinvol.

Overgevoeligheid: is het van daaruit dat poëzie opdaagt, een ruptuur in de taal? De taal die niet als een politiek, manipulatief instrument wordt ‘misbruikt’. Maar een taal die vanuit het besef van de kwetsbaarheid van de taal zo optimaal mogelijke wordt ‘gebruikt’, dat het lijkt alsof die taal niet zou bestaan – een taal die nog moet ontstaan, die moet leren uitgesproken worden. Een taal die zichzelf nog moet ontdekken: die van iedereen, voor iedereen. Parler la langue comme si elle n’existait pas. Dixit Du Bouchet.

5.

Stuurloosheid. Daar komt het op uit voor wie gekozen heeft om de weg van de wolken te gaan (als hij er al voor gekozen zou hebben). Voor wie zich liever door een barometer dan door een kompas laat oriënteren. Is dat niet om moeilijkheden vragen? Wie zo leeft, die leeft op goed geluk maar of dat geluk brengt, zou ik graag bewezen willen zien.

Het kernprobleem van iemand als Warhoofd is dat hij het detail van de hoofdzaak nauwelijks kan onderscheiden en daarom niet in staat is zijn eigen leven efficiënt d.w.z. naar de ‘norm’ te organiseren. Niet uit onwil en/of onwetendheid maar uit wat hij zelf waarschijnlijk zou aanwijzen als ‘existentiële overmacht’. Hij waait met tegenzin met de wind mee: niet uit opportunisme maar uit verbouwereerdheid. Zijn aangeboren argeloosheid speelt hem parten: hij laat zich domweg van alles dicteren en laat zich door het toeval leiden.

Hij beseft te weinig of te laat dat het toeval een compleet amorf gegeven is. Het misverstand is één van de bronnen van het toeval. Alles begint met een misverstand zoals dat in komische films vaak het geval is. Misverstand legt het lont aan het lopend vuur van het toeval. En als Warhoofd eigenlijk beseft waar hij aan toe is, zet hij het op een lopen, lopen, lopen. Maar toeval is venijnig, toeval haalt hem op zijn gemakjes in. En zie: Warhoofd krijgt van het toeval een roomtaart in het gezicht geduwd. Melancholie biedt hem straks wel troost.

Wat mij in Warhoofd stoort, stoort me ook in Vladimir en Estragon, die twee, weliswaar sympathieke sjofele schooiers uit Beckett ’s ‘On attentaat Godot’: ze ondernemen niets, ze rebelleren niet. Ze blijven ter plekke aanmodderen en rondstruinen. Ze kibbelen, praten langs elkaar heen, worden bij momenten bevangen en verlamd door schrik: schrik dat Godot zou komen, schrik dat Godot niet zou komen. Niets is goed, dus. Ze houden het bij zelfmedelijden en wat eenzaamheid. Stuurloos zoals ze zijn wachten ze, wachten op wat ze weten dat nooit zal gebeuren: dat wachten is uitstel, een dwaze smoes. Het onherroepelijke vermijden ze er niet mee.

Onder het stoïcijnse masker van Warhoofd schuilt masochistisch defaitisme. Hij doorstaat, ondergaat, geeft zich over. Hij doet geen enkele poging om wat hem overkomt te duiden of te begrijpen. Of te bevechten. Zo stuurloos is hij. Maar ontredderd is hij niet: hij houdt het in mijn gedichten merkwaardig vol. Hij staat nu al loyaal paraat voor het volgende gedicht waarin ik hem zal oproepen. Hij kijkt uit naar het signaal waarop hij zal moeten verschijnen. Gewillige prooi voor wat ik hem zal laten overkomen: tot zover taal me het zal toestaan.

Op de cover van de bundel staat een schilderwerk van Lucas Devriendt, een zelfportret, dat deel uitmaakt van een reeks van zes (die elk op zich geraffineerde variaties zijn op het afgebeelde hoofd dat precies op het punt staat te worden onthalsd). De cyclus kreeg de titel ‘Je me rends’ mee. Ik koos dit werk niet omwille van die titel uit, maar omwille van het beeld dat ik expressief, confronterend en genadeloos vond. En dat bloedrode rood maakt het werk krachtig en hard. Maar de titel correspondeert uitstekend met het karakter van Warhoofd: ‘il endure et il se rend’ zou hier de passende parafrase kunnen zijn. De koppeling met de titel is wat je kunt noemen een gelukkig toeval. Het soort toeval dat ik Warhoofd nooit zal gunnen.

6.

Onaangepastheid. Welke maatschappelijke rol is er weggelegd voor iemand die zich (in al zijn overgevoeligheid) door misverstand opgewekt toeval laat gidsen? Wat moet het bestel met iemand voor wie ondernemen, niets ondernemen is? Waaraan beginnen met wie helemaal niet in staat is een rol op zich te nemen waarbij ordentelijkheid en voluntarisme verwacht wordt? Wat moet je met iemand die achter elke structuur, elke stelregel, elke eis tot meetbaarheid uitsluitend de chaos, het zinledige, het onberekenbare ervan weet te ontwaren? Wat met wie het hem omringende continu te hoog gegrepen lijkt en die in geldelijk gewin het laconieke failliet doorziet? Met zo iemand vang je niets aan!

Nee, niet dat zo iemand verantwoordelijkheid ontloopt: hij is bereid tot een constructieve opstelling, zelfs compleet vrij van eigenbelang. Hij blijft vriendelijk, heeft met een groot hart oor voor anderen. Een rol op zich nemen? Hij wil niets liever: maar het klikt niet, de assimilatie blijft ergens vastzitten. Wat hij ook uitprobeert: hij glipt uit, valt met de neus op de grond van onbarmhartige feiten. De weg wordt versperd. Dat voortdurend falen zorgt ervoor dat de verwachte sociale coderingen zich op de duur gaan ontregelen. Dan wordt zo iemand gevaarlijk. Dan zitten ordehandhavers hem op de hielen. Nee, voor Warhoofden als die van mij is er nergens plaats. In de film ‘Mon oncle’ van Jacques Tati wordt Monsieur Hulot op het vliegtuig geplaatst. Ongepast, onaangepast, onhandelbaar. Weg ermee. In zeer harde politieke lijn vertaald: uitgerangeerd, niet te recupereren. Marginalisatie, collocatie. Nacht und Nebel.

Vanuit de stelling dat Warhoofd het gedicht zelf zou zijn, hoe zit het dan maatschappelijk met het gedicht, de poëzie? Hoewel ik enorm veel sympathie voor hem koester, citeer ik iets van Sartre dat helemaal in zijn nadeel uitvalt. Hij schreef: ‘Les poètes sont des hommes qui refusent d’utiliser le langage.’ Dichters weigeren de taal te gebruiken. Hoe is het mogelijk dat een man die perfect weet had over hoe vooroordelen in hun werk gaan, hoe diep die kunnen kerven, die een scherp zicht op het repressieve karakter van ‘een maatschappelijk rol’ had, zoiets heeft kunnen aanvoeren? Wat onderliggend verwoord wordt is namelijk iets wat ik al jaren moet aanhoren: ‘praat nu eens normaal en vooral verstaanbaar: stel je niet zo aan, dichter!’

De uitspraak van Sartre past perfect dat meedogenloze vooroordeel in verband met poëzie in. Het is het tegendeel. Een dichter wil nu net in haar volheid gebruik maken van taal. Haar in al haar facetten benaderen – zonder haar te corrumperen. Natuurlijk krijg je dan geen conforme taal. Maar een taal die afwijkt van het lopende (politieke, economische) discours, het ons stapsgewijze, fijntjes opgelegde, onze hersenschors binnendringende jargon. Wat er mis is met dat taaltje? Dat het uitkomt op het reductionistische, dat het gedachtegangen vernauwt tot schijnbare generalisaties.

Het gedicht heeft geen rol te vervullen: in zijn extremiteit weigert het overigens elke vorm van rol. Dat is en blijft het subversieve aan de poëzie. Los van elke poëtica, is het dat wat volgens mij poëzie uitdraagt en wat er ons in uitdaagt. De poëzie nodigt uit om naar een taal te zoeken, een taal te beleven die ‘anders’ is. Zij claimt het anders zijn. Zij claimt het singuliere. Daarmee wordt het menselijke haar prioriteit. Het is aan de lezer om dat subversieve al dan niet te ontdekken en uit te maken hoe hij het tot zich neemt of niet neemt.

Nee, voorlopig worden dichters in onze democratieën niet weggevoerd. Ze hebben een beetje recht op een statuutje. Ze moeten wel flink blijven. Op vraag mogen ze hier en daar wel eens wat ‘performen’. Let wel: zonder daarbij te overdrijven – zoals Artaud indertijd. Ach, op die manier blijven onze dichters koest en, als je het mij vraagt, ook wat monddood.


© Alain Delmotte


Voorstelling 'Warhoofds Gekkenwerk' van Alain Delmotte op 25/2/2017 in de Bib van Harelbeke!