woensdag 14 februari 2018

De geschiedenis beraamd - Steven Van de Putte

De geschiedenis beraamd. Lofzang van een fusie


Na de oogst gingen we de boer op,
legden behoedzaam de temperatuur
van onze dorpen, van diskant tot baskant,
de ene snaar voor de andere dempend,
stemden we de stad als een vleugel.

Vanavond spelen wij quatre-mains
uit een gloednieuw book of hours,
dragen onze bruid over dit denkbeeldig
dinsdagland, wuiven naar matrozen
zonder aanlegsteiger. The future is ours.

Op haar wordt vanavond geklonken
langs tapkasten gaan de haiku ’s
van onze dichters over dubbele tongen,
zingt men de lof van Carrette en De Craene,
speelt men derby's op het kunstgras van
hun dure woorden. Het is de sfeer
van de teerfeesten, van de grote dagen.

Buiten waakt de rivier, als een moederkloek,
over de prille oogst, zeventien kerknesten hoog
in de slinger van haar oevers,
een klok zonder wijzers
loopt voor goed de eeuwigheid in.


© Steven Van de Putte


dinsdag 13 februari 2018

Achterland - Robin Hutse

Achterland/ 1 Popov

soms denk ik aan Popov
de kat van mijn grootouders,
nadien nog rond hun lege huis gezien.
Langzamerhand werd ik
ook dat rouwende dier, spookrijders
verscholen in de tuin die we niet meer terugvonden
onder handen die zich nooit meer in ons haar waagden
omgekomen van honger en dorst


Achterland/ 2 naamloos

Ik ben al vergeten hoe de telefoon bij ons thuis overgaat
welke analoge signalen elektronisch hertaald werden
tot dagvaardingen, doodsberichten en andere groeten
gevist uit de klotsende lucht

in het jarenlange seizoen
vriest gerinkel nog eenzamer dood
dan berijmde vogels op een telefoonlijn


Achterland/ 3 hammurabi

hun gezichten waren nog weinig meer
dan zoeklichten om verblind in te staren
om rauw en naakt in te zijn,
handen als vangnetten, maar geen maas
die me door hun grotten en meren liet glippen
straatplassen vielen de hemel in
brandwonden zogen het vuur
van mij bleef niks
niet mijn vrouw, niet mijn man of mijn kinderen
niks dan de overtreder van grondwetten
in een niemandsland


Achterland/ 4 lagom

Voor ons huis klimmen we langs de stammen naar omlaag,
vouwen de muren open als een plattegrond
dat ons uit elk ander centrum doet wegtrekken, wachten
op de zachte plof van het peillood. Van elkaar

zullen wij wellicht niet meer genezen.
Stof zal ons indekken, dempen, terwijl we
elkaar als zwalpende aanvalstorens belegeren
onder een kleine stolp dagelijks oorlog voeren om onszelf

En als de stilte ons dan eindelijk onthult
zoals een dun deken dat strakker komt te liggen
om de vormen eronder;
Wij zullen ons verzoenen, loodrecht komen te liggen,
bekaf gebotst op elkaars klippen.


© Robin Hutse


Robin Hutse (°1993) publiceerde eerder in “Het gezeefde gedicht”, Poëziekrant en Meander en won een tweede prijs bij "Jeugd en Poëzie". Groeide op in Eeklo, woont in Gent en is afgestudeerd in Taal- en letterkunde. In december 2016 publiceerde Digther van hem eerder al drie gedichten.


zaterdag 10 februari 2018

Verzoek aan een vogel - Christina Guirlande

Vertrouw mij het geheim
van het vliegen toe
zodat ik gewichtloos en hemelhoog
de lucht verkennen kan.

Leer mij de taal van
geklapwiek en vleugel,
geheimschrift op blauw
perkament.

Verklap hoe het voelt
om over de aarde te zweven
hoog boven de kleur van de dood

en toon ons dan waar
die olijftak groeit
wij zoeken vergeefs al zo lang.


© Christina Guirlande


vrijdag 9 februari 2018

Winterstemming - Christina Guirlande

Wanneer huizen burchten geworden zijn
tussen hun dunne muren, mensen gevangen
zitten in zelfgeweven cocons, is het winter.

Vergeten woorden komen spontaan terug,
verhalen, voortijdig afgebroken, krijgen
een laatste bevrijdende zin. Ogen glanzen.

Hoe kouder het wordt, hoe vlugger de
ijslaag ontdooit, het gefluister buigzamer
plooit, het wonen weer smaakt naar geluk.

Maar al te lang hoeft dit niet te duren,
kaarsvlam en glitter vervangen geen zon,
de stad wordt te stil en te langzaam de uren.

Zo geeft men altijd de tijd uit handen. Straks
zingt de zomer zijn veelkleurig lied, worden
woorden weer gloeiend geroosterd, op as.


© Christina Guirlande


zondag 4 februari 2018

Poëzieprijs van de Stad Harelbeke - Editie 2018

In het sfeervol decor van de 'blauwe zaal' van het Cultureel Centrum Het Spoor van Harelbeke werden gisteren, op zaterdag 3/2/2018, de laureaten van de jaarlijkse poëzieprijs van de Stad bekendgemaakt. De zaal liep goed vol en het publiek werd door bibliothecaris Jan - Bib - Van Herreweghe liefdevol verwelkomd met koffiekoekjes en verwenkoffie.
Er was een sterke en heel leuk entertainende performance van slam-dichteres Carmien Michels. Alles uit het hoofd debiterend en in interactie met het publiek legde ze uit waar slam-poëzie voor staat en wat de regels ervan zijn. Er waren muzikale intermezzo’s door het leerlingenensemble van de Harelbeekse academie. Waarna ook nog een boeiend optreden volgde van Joke Van Leeuwen.

De jury van de poëziewedstrijd bestond ook dit jaar weer uit Philip Hoorne, Sylvie Marie en Herman Leenders. Er waren 183 inzendingen waarvan 42 van dichters jonger dan zesentwintig en 26 deelnemers kwamen uit Nederland. Herman Leenders maakte het juryverslag bekend en honoreerde namens de jury de navolgende dichters met een prijs:

Winnaars categorie - 26 jaar:
1. Kristien Spooren (°1994) uit Mechelen
2. Sara Eelen (°1994) uit Leuven
3. Ferre Clabau (°1994) uit Reningelst
4. Rand Helawi (°1999) uit Wemmel
Een aanmoedigingspremie ging naar Louis Vandekerckhove (°2003)

Winnaars categorie + 26 jaar:
1. Rinske Kegel (°1973) uit Nijmegen (Nl)
2. Tania Verhelst (°1974) uit Assebroek
3. Lode Van de Velde (°1971) uit Antwerpen
4. Jurgen Nakielski (°1982) uit Willebroek

De laureaten - foto Jan van meenen
















Met dank aan Jan van meenen voor de berichtgeving!


dinsdag 30 januari 2018

Leerdicht over vallende sterren - Alain Delmotte





















I.M. Lucas Devriendt

1.

Vallende sterren, ze worden vlug vergeten. Geliefden, daar heb je meer
nood aan, die hou je langer bij. Al vallen ook zij eruit.

2.

Eén vallende ster onthield je. Het was op straat heel laat. Je had meer zin in
slaap dan in toekomst, dan in plannen maken, dan in gezeik.

Je keek plots zomaar, ongevraagd en onbezield omhoog: je zag een ster
die viel.

Deed je toen een wens? Werd iets vervuld? Of was het toeval er die nacht
te moe voor?

Had je genoeg aan wat je leven was? Of had je daar nooit genoeg van
en was dat je wens?

Je stelde het vast: er was een ster die viel en jij die dat aan geen kanten
kon verhinderen.

3.

Alleen het buitelen heb je met die vallende sterren gemeen.

En het ijl-grijze uitzicht op het universum waarin ook jij je moet bevinden
en gedijen.


© Alain Delmotte


Alain Delmotte: Bij de uitvaart van Lucas D. (Blogbericht-Ma 29/1/2018)
Alain Delmotte: Leerdicht over vallende sterren (Blogbericht-Di 30/1/2018)


maandag 29 januari 2018

Bij de uitvaart van Lucas D. - Alain Delmotte

1.

Weg. Je bent weg.

Je bent er je niet eens bewust van dat je weg bent. Je weet het niet.

Wij weten het wel, al willen we het niet meteen weten dat je weg bent,
dat je weg blijft.


2.

Rouw volhardt in dit weer.

Het is herfst. De luchten bleven bedekt alsof ze het weinige van jou
trachtten te bedekken. Weet je, die luchten – het had één van je
schilderwerken kunnen zijn.

Het is herfst. Het regende niet. Al hadden we de indruk van wel.

Iemand dacht zelfs aan sneeuw. Aan al het wit dat je ooit voor dat zwarte
schilderwerk nodig had.

Je zwartwerk. Aan herfst.


3.

Binnen of buiten. Je blijft buiten ons en weg.

Alles of niets? Het werd niets. Dat is alles wat je hebt. Wij willen meer.
We wilden nog meer van jou.

Je houdt het voor weggeborgen, je bent niet meer.

4.

De zalige tijd dat je bent geweest, was jij dat dan? Weegt het weinige van
jou wat je tijd mocht zijn? Je tijd die nu weg is.

Weg.


5.

Wie schrijft weet hoe het verder moet: dat je weer kan zijn in wat over
jou wordt geschreven – in de herinnering van wie het leest


© Alain Delmotte


Alain Delmotte: Bij de uitvaart van Lucas D. (Blogbericht-Ma 29/1/2018)
Alain Delmotte: Leerdicht over vallende sterren (Blogbericht-Di 30/1/2018)


zondag 28 januari 2018

Lucas Devriendt, Présence et Finitude - Alain Delmotte

In november 2017 overleed de schilder Lucas Devriendt (1955). Ik werkte tot tweemaal toe met hem samen en dat volstond voor een loyale vriendschap. Voor mijn eerste
Lucas Devriendt
‘Onderschrift’ maakte hij een schets die veel weg had van ‘asemic poetry’ – maar daar was hij zich niet van bewust en ikzelf toen ook nog niet. Op de omslag van mijn recentste bundel ‘Warhoofds gekkenwerk’ staat een schilderwerk van hem, een zelfportret uit een reeks die hij ‘Je me rends’ had genoemd en me als gegoten leek voor het personage dat ik in mijn bundel probeerde te benaderen.

Ik ontmoette Lucas in de loop der jaren al bij al sporadisch, maar elke ontmoeting had iets van een gebeurtenis. Nooit viel hij banaal uit. Hij sprak liefdevol, bezeten en gul over zijn schildersvak en kunst in het algemeen. Hij beschikte over een groot cultureel-historisch doorzicht en koppelde zijn werk niet los van dat cultuur-historische. Als lesgever (in LUCA School of Arts campus Sint-Lucas, Gent) was hij geliefd, door zowel collega’s als studenten. Zijn overlijden greep me erg aan. Ik schreef voor hem twee gedichten die ik op facebook plaatste.

Onlangs las ik deze gedichten voor bij de opening van een tentoonstelling die als hommage aan Lucas is bedoeld. Hieronder plaats ik integraal mijn korte toespraak die aan het voorlezen van de gedichten vooraf ging. De komende dagen leest u die gedichten. De kleine en fijne tentoonstelling blijft nog maar te bezichtigen tot en met zondag 4 februari 2018, alle dagen van 14 tot 18 uur, in de De Carré LUCA School of Arts campus Sint-Lucas Gent, Alexianenplein 2, 9000 Gent.

‘Dames en heren. Ik word verwacht om twee gedichten voor te lezen die ik heb geschreven naar aanleiding van het heengaan van Lucas. Ik wil die vandaag niet zomaar op u los laten. Sta me toe dat ik eerst wat context bij die gedichten geef.

Ik begin met een herinnering aan Lucas. Op een keer, ik vermoed in de tweede helft van de jaren negentig op een oudejaarsavond, was ik in gesprek met Lucas. Het vreemde is dat ik mij niet meer
Alain Delmotte met een werk van
 Lucas Devriendt op de achtergrond

kan herinneren waarover we aan het praten waren. Ik herinner me wel zeer duidelijk de woorden waarmee Lucas het gesprek beëindigde want iemand anders vroeg om zijn aandacht. Hij deed een uitspraak waarvan ik thans betwijfel of het iets met ons gesprek te maken had. Hij zei: ‘Maar weet je, Alain, wij zijn geen formalisten, wij zijn existentialisten’ en hij keerde zich naar het andere gezelschap om. Ik moet eerlijk zeggen dat die totaal onverwachte uitspraak en de stelligheid waarmee hij dit zei, de stelligheid van dat ‘wij’, me helemaal verbouwereerde en diep in mij is verankerd gebleven, in die mate zelfs dat ik er tot op vandaag nog steeds op terugval om erover te reflecteren.

Waarom die uitspraak mij zo heeft getroffen is moeilijk samen te vatten. Ik beperk me tot twee vaststellingen. Het is inderdaad zo dat in mijn schrijfwerk het existentiële een doorslaggevende thematiek is geworden waarmee ik niet wil zeggen dat het formele van geen belang zou zijn. De existentiethematiek speel ik momenteel voluit uit in een reeks teksten die ik de titel ‘Warhoofds leerdichten’ heb meegegeven. Het eerste gedicht dat ik zal voorlezen, ‘Leerdicht over vallende sterren’, behoort bij die reeks.

Een tweede gevolg van Lucas’ woorden hebben meer met hemzelf te maken. Het is zo dat ik het werk van Lucas sindsdien vanuit een existentiële, eerder literaire hoek bekijk, waarmee ik absoluut geen poging onderneem om zijn werk tot die hoek te verengen. Ik merk enkel dat de existentiële ervaring aanwezig is in zijn werk, het maakt er onlosmakelijk deel van uit. Over dat aspect heb ik het in het tweede gedicht, ‘Bij de uitvaart van Lucas D.’.

Een leerdicht, dat klinkt wel erg moraliserend en pedagogisch. Mijn leerdichten zijn dat niet. Integendeel. Het zijn teksten die vooral willen ontmaskeren. Ze willen voor een deel op groteske, bitsige en sarcastische wijze het groteske van elke pedagogie van conceptuele aard bloot leggen: wij leven niet, wij gedragen ons. In de kern gaan ze, ik herhaal het, van een existentiële ervaring uit. Maar wat houdt een existentiële ervaring nu precies in?

Ik zou hierbij een hele bibliotheek kunnen betrekken. Ik hou het op een citaat van de Franse dichter Yves Bonnefoy (1923-2016) uit zijn laatste boek ‘L’écharpe rouge’, ‘De rode sjerp’. Bonnefoy is een groot dichter en een groot essayist. Hij schreef o.m. uitgebreid en met grote eruditie over schilderkunst. ‘L’écharpe rouge’ is een geschrift met een testamentair karakter. Hij brengt er al zijn thema’s en obsessies ter sprake maar plaatst het dit keer in een expliciet autobiografisch kader: psychoanalytisch, linguïstisch, transcendaal.

Uit dit boek citeer ik enkele lijnen uit een hoofdstuk dat geschreven werd naar aanleiding van een schilderwerk van Max Ernst. Deze passus benadert wat voor mij een existentiële ervaring inhoudt, die overigens niet zonder verwantschap is met de mystieke ervaring, zij het dan eerder in het negatieve.

‘Une prise de conscience du néant, une peur, et dés lors d’autres yeux pour les choses autour de moi. Ce qui était dans ces instants-là’, ce n’ était plus le monde sous ses aspects de nature, en ces créatures nombreuses, mais, bien que privé de corps, de points d’appui, de la moindre preuve de soi, ce surgissement, rien d’autre, si ce n’est l’impression, pour soi, d’une solitude, totale, d’une précarité infinie. Une expérience courante, j’imagine autant plus réprimée.’ (p.137)

Vrij vertaald (Bonnefoy maakt gebruik van een eerder ‘moeizame’ syntaxis): ‘Een zich plots bewust worden van het niets, een angst, die me vanaf dan met andere ogen naar de dingen om mij heen doet kijken. Wat zich op dergelijke momenten laat aanvoelen, is niet de wereld in zijn natuurlijke vorm en met zijn talrijke wezens, maar wel een opwelling van iets dat van lichaam, van steunpunten, van zelfbesef is onthouden, iets dat voor zichzelf een indruk van een totale eenzaamheid, van een oneindige vergankelijkheid geeft. Ik vermoed dat het een veel voorkomende ervaring is, maar één die wordt verdrongen.’

Elders noemt hij dit bewustzijn van het niets, dat voor het individu doorklievende inzicht ‘la présence et la finitude’, twee erg complexe sleutelwoorden in het werk van Bonnefoy die zich ook binnen de taal (en de beeldtaal) zelf voordoet. Aanwezigheid en eindigheid. Aanwezige eindigheid. Eindigende aanwezigheid.

In het leerdicht kijk ik dus met existentiële ogen naar vallende sterren en de complete maffe
Atelier van Lucas Devriendt
toevalligheid van dit fenomeen. Mensen proberen er een betekenis aan te geven, zien het als een voorteken van iets. Maar het heeft geen betekenis en het is helemaal geen voorteken van iets. Wat het in mij oproept? Dat zijn ‘présence et finitude’ en een angst die ik in het gedicht lichtjes ironiseer en laat uitdijen in melancholie. Het schrijven van dit gedicht werd doorkruist door het bericht van Lucas’ dood en is dus niet meteen de aanleiding voor het schrijven van dit gedicht. Lucas nam voor een deel de vorm van een vallende ster aan – en nam ook voor een deel de vorm van mezelf aan. Het is niet duidelijk wie nu aan het woord is of aan wie ik het woord geef in deze tekst: die verwarring laat ik open maar het is duidelijk dat ik me waarschijnlijk helemaal aan het vereenzelvigen was met Lucas. De je-vorm – waarvan ik in al mijn teksten gebruik maak, stond me dit toe. Het woordje ‘ik’ is me veel te onoverzichtelijk, te verstikkend. Ik wantrouw het ‘ik’.

In het tweede gedicht - meteen na Lucas’ uitvaart geschreven - evoceer ik een schilderwerk van hem dat volgens mij doordrenkt is met een besef aan ‘présence et finitude’.
Een stilleven, een zeer ‘nature morte’ waarop een zwart plastieken zeil in beeld wordt gebracht. Een werk dat iets in mij doet imploderen als ik het bekijk. Ik voel me er niet gemakkelijk bij. In eerste instantie omdat dit gegeven (een stuk ordinair plastiek) op het eerste gezicht vrij onesthetisch lijkt, maar het wordt op een esthetisch verantwoorde manier uitgewerkt. Iets wat ook ander werk van Lucas typeert. In portretten zien we vaak personages ongewone poses aannemen. Sommigen invalshoeken van waaruit hij werkt zijn zo onverwacht, dat je denkt dat die willekeurig zijn – maar dat is het niet, die invalshoeken zijn strategisch doordacht – Lucas kon er fascinerend over praten. En natuurlijk zijn er de schedels die in de werken van de voorbije jaren als een vloek opdoken. Voor mij zijn dit tekens die naar het existentiële wijzen: de aandacht voor het nietszeggende, het contingente, het triviale, het desolate. De eenzaamheid en het gemis en de vervreemding die daarvan het gevolg is, zoals in dat doek waarop we een verlicht voetbalveld zien – wat is het doods…

Het is dat wat ik zijn geheel ervaar als ik het zwarte doek (dat ondertussen blijkbaar tot een soort cultwerk is uitgegroeid) bekijk: het bevraagt ons, het confronteert ons. In een interview heeft Lucas over dit doek gezegd dat hij er evenveel wit als zwart voor heeft moeten gebruiken. Terwijl je het gevoel hebt dat een zwarte zon het werk volledig inpalmt. Dit doek gaat over wit en zwart, over donker en licht, wezen en schijn. Kunst en kunstmatigheid. Dit doek lijkt me een zwart gat, een uitgehongerd zwart gat, een alles opvretend zwart gat.’

Hommage-expo Lucas Devriendt.
De kleine en fijne tentoonstelling blijft nog maar te bezichtigen tot en met zondag 4 februari 2018, alle dagen van 14 tot 18 uur, in de De Carré LUCA School of Arts campus Sint-Lucas Gent, Alexianenplein 2, 9000 Gent).


© Alain Delmotte

Yves Bonnefoy ‘L’écharpe rouge’, folio Gallimard, 2017.


Alain Delmotte: Bij de uitvaart van Lucas D. (Blogbericht-Ma 29/1/2018)
Alain Delmotte: Leerdicht over vallende sterren (Blogbericht-Di 30/1/2018)

zaterdag 27 januari 2018

Portret van de dichter als ambtenaar in ruste - Frans Deschoemaeker

(Brief aan Herwig Verleyen)

Oudenaarde, dinsdag 3 juli 2015

Waarde correspondent Herwig,

Een dichter die ook ambtenaar is, hoor je de dichters denken, kan dat wel een goede dichter wezen? Een ambtenaar die ook dichter is, hoor je de ambtenaren denken, kan dat wel een goede ambtenaar wezen? Vanaf 1 mei is deze vraag ten aanzien van zijn persoon alvast academisch geworden. Vaarwel, tweeslachtigheid!

Zie hem daar zitten. De dichter als ambtenaar in ruste. Definitief dichter nu. Op het terras onder de hazelaar. In de hitte van de hondsdag. Puffend, voorovergebogen, de ellenbogen steunend op de knieën, maar desalniettemin decent, want geen geruite zakdoek met vier knopen op het hoofd maar een hagelwitte panama, de bilspleet niet half ontbloot maar goed opgeborgen in geklede beige shorts, het al licht grijzende borsthaar omkaderd door een wit hemd van Seidensticker. Zo zit de dichter dus.

Hij nipt van zijn koele Loire-wijn en staart in het diepe groen van de tuin. Daar moeten het gras gemaaid, het onkruid gewied, de paden aangeschoffeld, de buxus en haagbeuk gesnoeid.

Maar in de tuin komt hij niemand tegen. Het praatje met de bakkersvrouw, het praatje met de kassierster van de superette, straks, wint aan belang.

Elke dag rijdt hij de zeven kilometers naar het kasteeldomein van Elsegem om er zich met de hondjes Pistache en Pollux een uur te vertreden. Ook daar komt hij zelden iemand tegen, of het moest de plaatselijke heemkundige Frans Vandenhende zijn, die van het domein zijn biotoop lijkt te hebben gemaakt, en in het fraai gerestaureerde hoevegebouw (het kasteel bestaat niet meer) de ooit vermaarde Bibliotheca Elseghemensis opnieuw probeert op te richten. Ook de dichter is donateur (van eigen werk) en hij mag met zijn hondjes de statige bibliotheek betreden om de nieuwste aanwinsten te bekijken.

Om de paar weken, als de stilte van het graafschap Oudenaarde te oorverdovend wordt, stapt hij op de trein naar Brussel, om weer eens de adem van de grootstad om zich heen te voelen. Hij heeft die adem te lang om zich heen gevoeld om lang zonder te kunnen.

Hij probeert te schrijven, in de koele ochtenduren, met koffie uit het werkelijk onmisbare Bialetti-espressokannetje, maar in de plaats daarvan leest hij meestal, en wanneer hij leest, herleest hij meestal. De al decennia binnen handbereik gehouden, altoos troost, stichting en verstrooiing biedende leesmeesters Proust, Borges, de late Huysmans, Sebald, Reve, Joyce & Co, Modiano & Nescio.

Of als het een dichter wezen moet: H. H. ter Balkt (stoppelveld, hoe herkende ik toch zo vroeg al/in jou mijn troosteloos leven & regenachtig einde), of de Litouws-Franse dichter Oscar-Vladislas de Lubics-Milosz (Tous les morts sont ivres de pluie vieille et sale/Au cimetière étrange de Lofoten of car je n’ai connu dans la vie/Que le nom d’une seule fleur petite et triste, le myosotis,/Vieux dormeur des ravins au pays Cache-Cache…). Of dat vers van Herwig Verleyen dat hem in die lang vervlogen, arcadische zomer van 1973 in het geboortedorp voor het eerst onder de ogen kwam, en waarvan de slotregels nog steeds in zijn hoofd nazinderen: Het verdwijnt niet vlug, mijn satijnen lief,/de zoutlaag die wij zó mondig hebben aangeboord.

Warme zomergroet, Herwig, vanuit het graafschap,

Je

F.D.


© Frans Deschoemaeker

Uit: De waterlelies van Montparnasse, een werk in gestadige voortgang.


maandag 22 januari 2018

Bianca Boer wint de Poëziewedstrijd van de Stad Oostende 2017-2018

Op zaterdag 20 januari 2018 werd in het CC De Grote Post te Oostende de tweejaarlijkse poëzieprijs van de Stad Oostende uitgereikt. De jury bestaande uit Ivo Van Strijtem, Frank Decerf, Hester Knibbe, Koen Stassijns, Lies Van Gasse, Geert van Istendael en Koen Vergeer diende zich doorheen 1052 gedichten te worstelen die door 631 deelnemers uit Belgie, Nederland, de Filippijnen, Duitsland, Suriname, Frankrijk, Zwitserland en Spanje voor de prijs werden ingestuurd. Voor deze 10de editie werd het prijzengeld opgetrokken tot respectievelijk 3000 euro,1250 euro en 750 euro.

Het verdict viel op 9 december 2017 toen de voltallige jury, na lange uren van beraadslaging, tot een besluit moest komen. Uiteindelijk kreeg de Nederlandse Bianca Boer (1976) de hoogste score met het gedicht: 


Laatst, in de ochtend


Toen wij de enigen waren die op de fiets diagonaal over het plein sjeesden,
zat hij achterop bij mij. Je deed je armen wijd, je was een vliegtuig
en we scheerden rakelings langs fluisterzachte vuilniswagens.

Toen wij die ochtend aan de overkant van het plein kwamen, zagen we
dat er zakken vol blauw aan de straat stonden. Daarin de restjes dag
die van de ramen gelekt waren. Geen enkel etmaal past precies.

Ergens wisten wij natuurlijk dat het niet voor ons bestemd kon zijn
maar jij wilde zo graag even stoppen. “Toe nou mama…” zei je,
en ik deed het en niemand keek en het stond daar maar te staan

in zakken, blauw aan de rand van het plein, al die snippers dag.
Dit is de stad, de slapende stad, de gapende stad, de ontwakende stad.
Mag je meenemen wat niet van jou is? Ik vulde mijn fietstassen

omdat ik moeder ben. Die flarden komen nog goed van pas als je
vleugels laat groeien en je ergens in zal storten. Wees er zuinig op.
We hebben nu tijd genoeg om van elkaar te houden.

Wij zijn niet meer alleen op het plein als de zon opkomt en alles verbleekt.
Daar zijn ook de vuilnismannen, op hun hielen gezet door de wagen
waarin, “Zie je dat mama?”, één voor één de zakken verdwijnen.


© Bianca Boer
 

Bianca Boer debuteerde in 2007 met de verhalenbundel Troost en de geur van koffie. In 2010 publiceerde ze de dichtbundel Vliegen en andere vogels en eind 2017 verscheen Auch das ist Geschichte, Ein poetischer Dialog in Briefen, waarin ze met de twee Duitse dichters Ellen Widmaier en Katharina Bauer van gedachten wisselt over kunst, schrijven en literatuur. In 2018 wordt van Bianca Boer de roman Draaidagen verwacht.


De tweede prijs ging naar Paul Vincent met :


noordnoordoost


in de verte van jouw landschap
loopt zonder twijfel
nog een rendier rond

met mijn ballon
tussen de takken
van het gewei

ik heb een zusje van zes
ze doet zo vervelend
onze ouders zijn al weken zoek

niemand minder dan jij
die het kaartje vinden mag
met mijn speelpleinadres

als ik win van de kinderen hier
krijg je de bijna mooiste knikker
in mijn linkerhand bewaard

zus heeft de mega blinker
in haar brooddoos verstopt
ze ziet zo wit

als het gras van lapland
de ballon mag je houden
het gas is om te lachen



© Paul Vincent



Astrid Arns (1960) bekoorde als derde laureaat de jury met :


Doorzichtig


Wij liepen het dorp in, mijn dochter en ik
Haar jurk zo dun dat het licht er door heen scheen.

Ze nam een woord in haar mond.
Keek naar iemand die achter mij stond alsof ik doorzichtig was.

Om ons heen rook de lucht naar zwavel en bomen.
Nog even, dacht ik, en dan word ik uitgewist.

Ik keek naar haar rug toen zij wegging, het zwart in zich sloot.
De lucht scheurde toen ik haar riep.

Zij hoorde een uil in de verte.


© Astrid Arns


Naast de drie hoofdprijzen gingen er nog bloemen en eervolle vermeldingen naar :
Anna de Bruyckere - Als je een ander
Cora de Vos - Kweekzalm
Steven Grauwmans - Het kind
Veerle Neyens - Nacht
Vera Steenput - Fatwa voor een fietsendief
Hein van der Schoot - Hoe te leven
Geert Viaene - GHURRRUUSSSHH GHURRRUUSSSHH GHURRRUUSSSHH

Naar goeie traditie publiceert de stad Oostende een kleurrijke bundel met alle geselecteerde gedichten. Deze keer is de publicatie verrijkt met een fotoreportage van Arne Deboosere. De beelden die de fotograaf bij de gedichten selecteerde, bewijzen zijn voorkeur voor rauw- en grauwheid en grijstinten die volgens hem de gedichten het meest recht doen. De publicatie kost 5 euro en kan bekomen worden na een telefoontje naar de Dienst Cultuur van de Stad Oostende (059 25 88 20).


Veel leesgenot !


© Frank Decerf

Noot: Eerder verschenen op de Schaal van Digther gedichten van Astrid Arns, Geert Viaene en Steven Graauwmans.

Winnaars en genomineerden - Poëzieprijs Stad Oostende 2017-2018
 

donderdag 18 januari 2018

Ontwikkeling - Erick Kila

zeggen dat je het weet
denken aan niets
zo – in het voorbije gesloten
in nacht
toch is er een vogel
hij verliest

het was goed
de wereld verandert in hetzelfde
schaduwen weten het
stilten kennen het
het was goed


© Erick Kila


woensdag 17 januari 2018

Ik dacht erover iets te schrijven - Erick Kila

1

een avond dacht ik erover
iets te schrijven
uit het woord dat
nacht is kwam stilte
het werd stiller
op het eind van schemer verdwaalden
de woorden
de dag begon te tikken
eerst zacht


2

als ik vertrek uit mijn stad
valt het niet op
de dagen blijven
en de schaduwen
onveranderd ook blijft
vroeger
misschien merkt de kleine vogel iets
hij is groen, heeft belangstelling


© Erick Kila


dinsdag 16 januari 2018

Jazz & de steen van de wereld - Erick Kila

laden, vuren
afzien van hapering in
klanktijd
steeds een leegte vol – 4 tellen
prik in de steen van de wereld
zucht, niet bedacht
tegendroom
stroom
tegen


© Erick Kila


maandag 15 januari 2018

Trein-Erick Kila

weiland
verte
klein paard
in denkstappen
razend van werkelijkheid

dan zwenkt de gedachte
komt los van het maaksel dat
de wereld is
gaat naar het verre
de weiden van stil


© Erick Kila


maandag 8 januari 2018

Verklaar je nader, recensent - Alain Delmotte

Naar aanleiding van een nare recensie

Een tijd geleden brachten we op deze Schaal enkele gedichten van Jan M. Meier. Deze gedichten maken intussen deel uit van de bundel ‘Engelenspoor’, vorig jaar uitgegeven door ‘Uitgeverij P’. Van deze bundel verschenen tot nog toe drie recensies. De eerste was van Lennert Ras op Meander. Dirk De Geest zorgde op Mappa Libri voor de tweede. De derde recensie was van Stefan van den Bossche. Die laatste verscheen onlangs in Poëziekrant (2017, nr.6 p. 31). De aandacht zal hier verder vooral uitgaan naar de 'bespreking' van Van de Bossche. We adviseren voor een goed begrip eerst de recensie van De Geest te lezen.

De lezer merkt het meteen. Wat de recensies van De Geest en Van den Bossche gemeen hebben is dat ze kort zijn. Voor het overige verschillen ze sterk in appreciatie: de eerste bouwt op, de tweede bouwt af. Je gaat je de vraag stellen: wat is er aan de hand? Draagt deze bundel dan zoveel ‘controverse’ en ‘dwarsheid’ in zich dat die sterk van elkaar verschillende meningen oproept? Ik dacht het niet. Poëzie wijkt uiteraard per definitie af van het gestandaardiseerde taalgebruik en dat lokt altijd wel wat controverse uit. Maar in deze bundel gebeurt dit zeker niet radicaal of schokkend.

Aangezien wij op deze schaal loyaal wensen te blijven ten aanzien van de dichters die we hier een kans hebben willen geven, wil ik uitgebreid stilstaan bij wat ik noem de ‘bedenkelijke’ bespreking van Stefaan van den Bossche. Ik neem het op voor Jan M. Meier. Niet op vraag van de dichter (die ik nauwelijks persoonlijk ken). Maar uit eigen beweging, waarover verder meer.

De bespreking van Van den Bossche is zoals vermeld, bijzonder kort, veel te kort. Merkwaardig genoeg was er toch nog meer dan voldoende ruimte voor nietszeggendheid. Om in het jargon van Van den Bossche (dat hij in deze tekst hanteert) te blijven: ‘de leegte van de nietszeggendheid’. Een bespreking die niet met een pen werd geschreven maar met een natte vinger.

Het stuk bestaat uit vijf ongeveer gelijke paragrafen. Opvallend en verwonderlijk is dat twee vijfden ervan gespendeerd worden aan het curriculum vitae van Jan M. Meier - die in een vorig leven Jean-Marie Maes heette. Natuurlijk bevat die cv uitzonderlijk nuttige literair-wetenschappelijk uitgekiende informatie, des te meer omdat de helft ervan op de zijkant van de bundel staat vermeld. Maar zelfs het grondige onderzoek bleef hier in gebreke. Jean-Marie Maes veranderde zijn naam in 2002 (en niet in 2015) en publiceerde sindsdien enkel onder het pseudoniem Jan M. Meier. Jean-Marie Maes is dus al een hele tijd uit het zicht verdwenen. Achter die naamsverandering gaat waarschijnlijk het een en ander schuil. Een breuk met het verleden, een literair verleden? Van den Bossche staat er in ieder geval niet bij stil.

Omdat de eerste bundel van Meier/Maes 45 jaar geleden verscheen, wordt de bundel het relaas van die lange stilte genoemd. Hé, als je dit leest, denk je: o, dat lijkt me interessant – recensent, kan je daar wat meer over vertellen, zijn daarvan duidelijke sporen te lezen in de gedichten? Maar op die vraag geeft de recensent niet thuis. De lezer blijft in de kou staan.

Daarna volgt een grondige en uiterste nauwkeurige, strikt mathematische lezing van de inhoudstafel. Knap werk. Altijd zinvol, zeker, maar er volgt niks op die wiskundige constateringen. Waar was het dan goed voor? Ik lees niks over hoe die structurering in de bundel werkt, niets over de aanwezige motieven en niets over hoe de motieven zich eventueel binnen de bundel verhouden, al dan niet verschuiven, enz..

En dan beweert van den Bossche het volgende: ‘Niet alleen is er in deze poëzie een grote variatie in tijd zichtbaar, maar ook in zeggingskracht en finesse.’ Welnu daarvan had ik als in-de-kou-staande-lezer graag bewijzen gezien. ‘Verklaar je nader, recensent’. Maar aan nadere verklaringen heeft de recensent geen nood. Hij stelt vervolgens kordaat dat een aantal gedichten beter uit de boot waren gevallen. Hoezo? Welke gedichten? Waarom? Lezer, we hebben er het raden naar! Duiding blijft uit. Of op zijn minst een poging tot duiding: wat al een grote verdienste zou zijn geweest. Het gebrek aan duiding brengt de tekst tot een praatje voor de vaak, tot een portie gebakken lucht terug.

Dan toch wordt in de voorlaatste paragraaf, blazend en zuchtend iets over het thema verteld: verlies zou het grote thema zijn. Dit ligt zo voor de hand in deze bundel dat het niet meer is dan vaststellen dat een hond een staart heeft. Daarbij deelt hij mee dat men van deze bundel niet vrolijk wordt.

Om het een en ander te motiveren citeert hij eindelijk iets:

ik zag je vandaag weer overal
zoals je aan de tafel zat
zoals je hier rondliep en lachte
zoals je stil werd en bevroor

het was nog maar vorig jaar
er was voorwaar wat zon
nu is het huis vol regen
ik zie je weer opgebaard

Dit wordt zomaar ijskoud in het gezicht van de lezer gekeild. Zonder de minste context: de lezer moet het alweer maar weten. Hieronder plaats ik het gehele en wat mij betreft pakkende gedicht. Het citaat hoort thuis in de eerste cyclus van de bundel, ‘I.M’, in memoriam. Een reeks die inderdaad de toon van de bundel in zijn geheel meedraagt, er de rode draad van is. Als je een reeks gedichten begint te lezen die de titel ‘in memoriam’ meekreeg dan verwacht een beetje mens geen vrolijk makende kolder. De opmerking van van den Bossche is bijgevolg weinig tactvol. Om niet te zeggen: ronduit misplaatst. Hier is niet bij nagedacht.

Dat het geen al te vernieuwend gegeven is wat hier wordt gethematiseerd? Tja. Van Homeros tot, pakweg, Hester Knibbe is er weinig nieuws onder de poëtische zon. Gedichten komen, gedichten gaan. Maar hun grond, hun voedingsbodem blijft dezelfde: de menselijk ervaring. De thema’s die poëzie hanteert zijn au fond beperkt. Het zijn de al dan niet libidineuze passies, de queesten, de chimères. Het mythische. Het sacrale en zijn vele vormen. De schimmen. De archetypen. En verlies. Verlies hoort inderdaad ook bij die thema’s. Het verlies van een kind, zoals bijvoorbeeld in ‘Engelenspoor’ het geval is. En de rouw daarover. De vraag is dan ook niet wat een dichter thematiseert, wel hoe het thema wordt verwoord, vorm wordt gegeven. Wat een dichter met een thema aanvangt: hoe hij het al dan niet verrijkt, er andere wendingen aan kan geven. Hoe een dichter met een simpel, doordeweeks of pijnlijk gegeven een lezer kan verrassen, verbazen en, waarom niet, ontroeren. Een bevraging die het uitgangspunt van elke recensie zou moeten zijn: een recensie mag best wel negatief geladen zijn, maar het moet een liefdesverklaring aan de poëzie blijven. Dat vuur, die furie is quasi nergens nog te ontwaren, heb ik de indruk.

De laatste paragraaf wil ik de lezer niet besparen. Die is hilarisch: ‘Is deze bundel geslaagd? Ja, in menselijk en emotioneel opzicht. Literair is hij echter geen hoogvlieger, hoewel het me voorkomt dat die anders had kunnen zijn met een betere redactionele begeleiding en een scherpere selectie. Er wordt nu erg veel geschreven, maar weinig gezegd. Nochtans lijkt me (de nieuwe) Meier een dichter die het voordeel van de twijfel moet genieten.’

Dit zijn woorden van een belerend Tartuffe-gehalte. Eerst wat loze beweringen formuleren in de vorige paragrafen en in de finale de amicale schouderklopjes en een sneer richting uitgever. Van den Bossche lijkt te zeggen: ‘Neem het niet persoonlijk op, jongen, het is allemaal goed bedoeld en let de volgende keer wat beter op’. Dit is wat met een ouderwets woord ‘dubbelmoraal’ wordt genoemd. Eerst wat schoppen en dan wat paaien. Je reinste geveinsde nederigheid, die regels.

Om het op zijn Vlaams te zeggen, sta me toe deze recensent van het zelfde laken een broek te geven:

‘Is deze recensie geslaagd? Nee, in menselijke opzicht biedt ze geen uitdieping, ga ik vruchteloos op zoek naar een greintje empathie. In emotioneel opzicht getuigt de tekst van een grote, gemakzuchtige eenzijdigheid. Literair is zijn tekst geen hoogvlieger. De woorden ervan vliegen in het rond en slaan nergens op: ze blijven plat. Het komt me voor dat deze bespreking anders had kunnen zijn ware er een betere redactionele begeleiding en een kritischere blik aan voorafgegaan. Er staat even weinig geschreven als dat er wordt gezegd. Op een paar banaliteiten en tartufferie na. Van den Bossche toont zich hier als iemand die in zeven haasten een klus heeft moeten klaren en die klus dan een recensie durft noemen. Ik gun hem daarom aan geen kanten het voordeel van de twijfel.’

Ik moet me nu wat temperen: Stefan van den Bossche is geen amateur en heeft zoals iedereen recht op spreken. Recht op een mening: hij mag dit best geen geslaagde bundel vinden. Maar als recensent heeft hij evenzeer de plicht ten aanzien van de lezer om zijn oordelen secuur toe te lichten. Des te meer in een prestigieus tijdschrift als Poëziekrant dat, naar er wordt verteld, graag en veel wordt gelezen en daarom van groot levensbelang is voor de Nederlandstalige poëzie.

Hij slaat in zijn artikel de bal helemaal mis. Dit slordige artikel lijkt meer vanuit een knorrig humeur dan vanuit een kritische betrokkenheid geschreven. Met zo’n tekst leg je elke vorm van debat aan banden: tegen wat en hoe kan de dichter zich nu niet verdedigen of verweren? Gebakken lucht bestaat tenslotte niet.

Nee, ik sluit niet uit dat iemand vanuit het humeur en de emotie schrijft. Zoals polemisten dat wel eens plegen te doen. Ik koppel daar wel een aantal voorwaarden aan vast. Ik verwacht dan enige stilistische grandeur, retorische verve (die vrij van ressentiment blijft), lucide ironie, subtiele satire, venijnige tegendraadsheid. En moed. Vooral de moed om, waar nodig, dikdoenerige reputaties aan te pakken en niet zoals hier het (tweede) debuut van een weinig bekende dichter.

Mijn persoonlijk motivatie voor het schrijven van dit stuk gaat dan ook verder dan deze specifieke bespreking. Mijn boosheid richt zich tot een fenomeen dat steeds vaker opduikt en op enkele (gelukkige) uitzonderingen na steeds meer mainstream aan het worden is. Recensies moeten zo kort, korter, kortst mogelijk zijn. En vlug, vlug, vlug afgehandeld. De tekst moet wijken voor niet altijd geslaagde foto’s. Waarmee het decor en de rekwisieten belangrijker worden dan het theaterstuk. Weldra wordt een recensie niet meer dan een twitterberichtje. En dan nog. Ik hoor redacteuren al zeggen: ‘kan je in dat twittertje niet wat schrappen of ik krijg het niet geplaatst.’

Er is geen ruimte meer, geen ademruimte meer voor een fijnzinnige, onmisbare, intelligente nuancering: je kunt daar immers niet mee ‘epateren’, je kunt er niet mee ‘scoren’. Nuanceren, dat is moeilijk doen. Nuanceren dat is iets voor lastpakken.

Ik weet het ‘in der Beschränkung zeigt sich erst der Meister’. Maar tot hoever kan je in de kaalslag gaan? Het is gemakkelijk en goedkoop om iemand met slechts enkele felle of, zoals hier, vage woorden af te serveren. Dit lijkt me intellectueel oneerlijk en geeft blijk van weinig respect en zelfrespect. Een recensie is een bokswedstrijd geworden: een bloedneus zorgt immers voor spektakel en daar komt altijd veel volk naar kijken. Ik vind het intriest dat iemand als van den Bossche daaraan toegeeft. ‘Jij, ook Brutus?’ Helaas, hij is niet de enige Brutus in zijn soort. Ik word daar alvast niet vrolijk van.

222

tweehonderdtweeëntwintig dagen
is een korte tijd om dood te zijn

ik zag je vandaag weer overal
zoals je aan de tafel zat
zoals je hier rondliep en lachte
zoals je stil werd en bevroor

het was nog maar vorig jaar
er was voorwaar wat zon
nu is het huis vol regen
ik zie je weer opgebaard

tweehonderdtweeëntwintig dagen
is een korte tijd om dood te zijn
een veel te lange tijd voor wie blijft

(gedicht uit de bundel 'Engelenspoor' van Jan M. Meier)


© Alain Delmotte


zondag 7 januari 2018

De beroemde Belgische triptiek - Hendrik Carette

voor Alain Delmotte


I. Het mysterie van René Magritte

Geen symbolen, geen beelden en geen iconen.
Geen charlatanerie en geen monumentale hoogmoed.
Elk schilderij is een droom voor de burger van de burgerij
ingelijst in het blauwe nachtlicht van het nachtkasteel.


II. Het oog van Marcel Mariën

De Chinese roerganger Mao kende zijn kunstwerken niet.
Maar zijn collages kleven aan het netvlies
van ons geheugen dat erotisch neurotisch blijft
wanneer een jonge blanke naakte vrouw
bloot blijft en onze ludieke lettrist Mariën
haar naakte lippen, haar vulva en haar venusheuvel ziet.


III. Het genie van Henri Michaux

Het schuilt niet onder zijn woorden en niet onder zijn woede.
Niet onder zijn inktspatvlekken en niet onder zijn hersenpan.
Het schuilt in de geest van Plume:
Plume in Casablanca, Plume bij de koningin
en vooral de zonderlinge Plume hangend aan de zoldering
(Plume au plafond)…
Plume was dus zeker geen warhoofd, geen robot
en geen oplosbare pop. Plume was de emanatie van Michaux.


© Hendrik Carette


vrijdag 5 januari 2018

Verlies verdwijnt nooit

Over ‘Vermoeden van licht’ van Richard Foqué.
Recensie Alain Delmotte

Wie de nieuwste bundel van Richard Foqué ‘Vermoeden van licht’ doorneemt, zal wellicht een verwantschap met de twee vorige bundels, ‘De grote Rokade’ (2012) en ‘Hier staan wij’
(2015) opmerken: ze zijn namelijk, zeer elementair, alle in 4 cycli opgedeeld. Ze vertonen dezelfde compositie. Of eenzelfde architectuur (wat misschien in het geval van Foqué wat te veel voor de hand ligt, gezien zijn deskundigheid in dit vakgebied). In al deze bundels hebben de titels van de cycli hun belang. In het erg geslaagde ‘Hier staan wij’ weerklinken in de vier titels van de afdelingen echo’s van elkaar, wat een eenheid aangeeft. Het beantwoordt m.i. vooral ook aan een soort nood aan een herkenbare, bijna cijferachtige ordening – die tegelijkertijd enige vervreemding oproept. Ik kom er nog op terug.

Vormen de drie bundels dan een eenheid met elkaar? Is er sprake van een drieluik? Een opus in opbouw? Dat durf ik niet te beweren, aangezien ik geen zicht heb op de toekomstige publicaties van Foqué. Alvast zou het interessant zijn om op zoek te gaan naar wat de eventuele gelijkenissen tussen deze bundels zijn. Waarin zijn ze gelijklopend en waarin verschillen ze. Grijpt er tussen de drie bundels een soort estafette plaats: geeft de eerste bundel iets door aan de tweede en de tweede aan de derde? Welke toegang- of invalswegen bieden ze elkaar aan? Wat geven ze aan elkaar door? Schakelen ze zich thematisch aaneen? Laten ze zoiets als een voortgang gewaar worden? Vragen die ik hier wens open te laten. Die studie ga ik niet maken. Ik beperk me met deze lijnen tot een bespreking van de nieuwe bundel. Hopelijk nodig ik met bovenstaande vragen derden tot die uitdieping uit.

In ‘Vermoeden van licht’ meen ik toch zoiets als een estafette tussen de vier cycli te ontwaren. Elke reeks eindigt met een gedicht dat subtiel de stok aan de volgende reeks doorgeeft. Het laatste gedicht van de laatste reeks komt me in deze context dan voor als een puntig en contrapuntische synthese én van de reeks én van de bundel: ergens zijn wij/vermoeden van licht.

Wat ‘Vermoeden van licht’ in zich van ‘Hier staan wij’ lijkt mee te dragen, is het persoonlijk voornaamwoord ‘wij’. In ‘De grote Rokade’ was het woord slechts minimaal aanwezig. In ‘Hier staan wij’ duikt ‘wij’ toch wel heel ostentatief in zowel de titel als in de laatste reeks van die bundel op. In ‘Vermoeden van licht’ vinden we het ‘wij’ weliswaar spaarzaam in andere cycli terug maar, alweer, heel expliciet in de vierde. Wat de bundel eveneens van de vorige heeft ‘onthouden’, is de nummering. Ik denk niet dat het zomaar een detail is. Foqué schrijft in cycli, zoveel is duidelijk. Zijn gedichten geeft hij nooit een titel mee. In de ‘De grote Rokade’ geeft hij binnen de reeksen de gedichten een Romeins cijfer mee. In ‘Hier staan wij’ worden die Romeinse cijfers Arabische cijfers. Elk gedicht krijgt dus niet alleen het cijfer mee van de rangorde waarin het staat in de reeks maar krijgt ook het passende cijfer van de reeks mee. Bijvoorbeeld het gedicht 3.6 is het zesde gedicht uit de derde reeks.

Wat is het nut van die nummering en wat is vooral het nut om hierbij stil te staan? Ik ben ervan overtuigd dat dit allemaal geen toeval of willekeur is. Zoals ik al schreef, geeft het blijk van een ordeningsnood. Het lijkt me het bedachte, rationele kader aan te geven waarbinnen Foqué zijn bundel(s) opbouwt. Al is hij zich bewust dat die nummering kwetsuren tot gevolg heeft. In het beklemmende gedicht 2.3 (dat ik hieronder integraal weergeef) blijkt dit duidelijk.

Je kunt dit gedicht heel concreet en realistisch lezen. Mij riep het herinneringen op aan de Nazi-kampen waar de joodse gevangenen een nummer op hun arm getatoeëerd kregen. Waarmee eigenlijk hun individualiteit werd ontnomen: ze waren van geen tel meer. Ze werden ‘acefaal’ gemaakt, mentaal onthoofd, het brein ontzegd.

Als we dit gedicht op meta-poëtisch niveau lezen en ervan uitgaan dat ook een gedicht een lichaam is, een taallichaam, dan is die nummering het gedicht tot schrikdraad. Het nummer als omen. Foqué komt op die ‘menselijk reducerende’ nummering en naamloosheid in de bundel een paar keer terug:

‘Daar de naamloze lijven/ongezien./Ze kermen door je brein/Ze spreiden in je aders/nemen bezit/verlammen/nemen bevel‘(2.12). ‘Zie hoe ze lopen/in wanhopige rijen/in monotoon gelid/in genummerde vakken/lege lichamen zonder hoofd/zonder toekomst/naar het einde zoekend’ (3.3)

Een ordening, schreef ik. Een ordening die een verordening in zich draagt: het verdwijnen in het nulpunt ‘waar begin en einde raken’. Iets wat mij het onvergetelijke ‘Four quartets’ van Eliot (In my beginning is my end) opriep (hé, dat elementaire cijfer 4 alweer). Eliot: er steekt erg veel ‘waste land’, braakgrond in de poëtische topografieën van Foqué.

Stilistisch biedt Foqué wat hij in zijn vorige bundels aanbood: verdichte en gelaagde regels die (soms stotend, stompend) ritmisch worden voortgestuwd. De gelaagdheid zorgt ervoor dat deze poëzie complex uitvalt en hier en daar, bij eerste lezing, duistere plekken vertoont. Zo werkt poëzie nu eenmaal: een lezer dient zich op de tast in het gedicht voort te bewegen – ergens is er wel een ‘vermoeden van licht’. Dankzij die (bewuste? – berekende?) gelaagdheid smokkelt Foqué met de nodige schranderheid en eruditie allerlei motieven, herhalingen, infra- en intertekstuele aanwijzingen zijn gedichten binnen waarmee hij de bundel tot een geheel weet te metselen. En dus de vier reeksen intern en extern bij elkaar houdt – zonder dat ze daarbij hun autonomie verliezen.

Ik sta even stil bij een van die motieven: het spanningsveld ‘vraag en antwoord’ en in het logische verlengde ervan het spanningsveld ‘zwijgen en spreken’. Die twee spanningsvelden zijn binnen de bundel verspreid en geïntegreerd. We lezen ergens ‘ze hoort mijn zwijgen/maar antwoordt niet// Want de vragen zijn verzegeld/zoals de wegen die ik zoek’. En wat voor vragen zouden dat dan zijn? Men leest elders dat het ‘ongestelde vragen ’zijn ‘die het leven snijden’. (Er worden trouwens veel lijden, wonden en kwetsuren doorheen de bundel – zoals in de voorgaande - gesuggereerd. ‘Pijn’ is een woord dat in vele gedichten rondspookt. Ecce homo.) Er wordt kennelijk veel verzwegen want ‘zon te laag/om de lippen te raken’. De kernvraag wordt dan ook niet ontweken ‘Kunnen we nog spreken?’ Want ‘alle geluid/wordt blind geboren’. Overigens ‘Tijd stelt geen vragen/kent de antwoorden niet’. In de laatste reeks, deze van de pragmatische verzoening, klinkt het minder somber: hoewel ‘zeezout de lippen heeft vergrendeld’ wordt het volgende met nadruk gesteld: Verzegel de lippen niet/maar fluister de namen die ons maken’. Immers: ‘er is geen reden om te zwijgen/want in elke verlies/ligt aanvaarding’. Er zit niets anders op: ‘het onbeantwoorde/heb het lief’.

Het centrale motief in de bundel is evenwel het gegeven tijd. De titels van de reeksen geven het aan.: ‘De verloren tijd’, ‘De instortende tijd’, ‘De zoekende tijd’, ‘De herwonnen tijd’. Al de reeksen zijn begroeid met het existentiële besef van het ‘memento mori’. ‘Het is sluitingstijd/tijd voor elk van ons/om te verdwijnen’ (1.8). Foqué ontwijkt en bekampt illusies want ‘Verlies verdwijnt nooit’ (1.5). (Wat een variatie is op wat al te lezen viel in ‘De grote Rokade’ ‘Verlies gaat nooit voorbij’). Verlies houdt een mens dus bij de les en bij bewustzijn.

Elke reeks krijgt dus een eigen klemtoon en kleur. Maar de vier thema’s resoneren in alle reeksen mee. Ik vlieg er in scheervlucht over.

‘De verloren tijd’ is de verleden en vergleden tijd. Enkele teksten klinken nostalgisch. Dat wordt streng afgebroken als Foqué schrijft: ‘Mijn kindertijd/was een winterverhaal’. Een druilerige en winterse sfeer doordesemt trouwens de hele verzameling en houdt hiermee de titel van de dichtbundel in ere: in de donkerste maanden is het licht inderdaad maar een vermoeden.

In ‘De instortende tijd’ klinkt een rouwende stem die een wereld van ‘was’ evoceert. De wereld als wassen beeld? Of de wereld die er ‘was’, die er is geweest? Het wezen ervan? De schijn ervan? Weinig hoop wordt hier geformuleerd: Tijd schreeuwt/huilt/tussen molshopen/woekert/in dunne lucht/in eeuwig stof/door het moeras/door stinkend veen/door dode lijven/steelt. ‘De zoekende tijd’ verwoordt de cirkelvormige queeste, de zoektocht zonder bestemming: een cirkelende beweging houdt stilstand in. Is het het toeval dat de weg aangeeft? Of speelt het (nood)lot een rol? Het tarotkaartspel, de teerlingenworp worden geëvoceerd. Een goedkope clown ‘geeft je de sleutels/tot het paradijs/om de wolken te verdrijven/in je bodemloos brein’. De kaarten van dit spel zijn doorgestoken kaarten: ‘Het zijn gevallen bladeren/aan lege poorten/wachtend op een geliefde/blind en te laat’. De zoektocht grijpt plaats ‘in duisternis/telkens weer/aan het begin/aan het einde/wachten op licht’.

Een streepje licht schijnt in ‘De herwonnen tijd’ door. Hoe je de tijd herwint? Door zich een soort argeloosheid aan te meten die kinderlijke verwondering weer mogelijk maakt: ‘de kinderen kunnen het weten/de kinderen kunnen vinden/wat wij hebben verspeeld/verborgen ligt het/in hun handen.’ Is de kindertijd de sleutel van de herwonnen tijd? Er klinken opbeurende, lucide woorden: ‘Wij zijn geen nederlaag/wij hebben niet gefaald/we hebben zelf bepaald/waar wij willen gaan/tussen de eersten en de laatsten/tussen hier en toen’. Gaat de dichter voor ‘la liberté cartésienne’, de cartesiaanse vrijheid?

De existentiële thematiek van de poëzie van Foqué kan je bezwaarlijk als modieus beschouwen. Je vindt er geen ironie in terug, wel wat ‘realistische, stoïcijns getemperde grimmigheid’ in de wijze waarop hij tegen de existentie aankijkt. Hij geeft blijk van verfijnde intelligentie in de manier waarin hij verschillende niveaus ongemerkt in zijn teksten laat inwerken. Poëzie die bij een eerste lezing hermetisch aandoet maar zich gestaag blootgeeft voor wie zich aan meerdere lezingen waagt.

2.3

Het genummerde lichaam
pijn als een cijfer
gebrandmerkt
in de diepste huid
in rijen gelijnd
meetkundig geschikt.

Het genummerde lichaam
het wacht
terwijl het water stijgt
in het doorwaadbare.
Het staart
tot het geroepen wordt
tot iemand het zal delen
tot een naamloos priemgetal.

Het genummerde lichaam
Het is van geen tel.

© Recensie Alain Delmotte


Richard Foqué, Vermoeden van licht, 2017, Uitgeverij P, Leuven, isbn 978-94-92339-41-6.

Extern:
Weblog Richard Foqué
Uitgeverij P
Richard Foqué bij Uitgeverij P


Uitgever Leo Peeraer overhandigt het eerste exemplaar aan Richard Foqué